Hoofdtekst
’t Was daar een wuveke, Melle, en z’had verzekers wel tien joengens. Maar ’t was daar eentje, Alex, en ’t groeide nie ip. En ze goengen naar de paters van Steenbrugge en dedie gaven een medallietje en ze moesten alles verbranden wat dat da kindje gebruikt had. En ze deien dadde en ze vergaten een paar bottientjes (hoge schoentjes). En da beterde nie ook en ze goengen were naar de paters en de paters zeien da ze alles moeste verbranden. En amenekeer ze peisde ip die bottientjes, ze verbrandde ze en da kindje is ton gebeterd ook.
Beschrijving
Een vrouw die wel tien kinderen had, ging naar de paters van Steenbrugge, omdat één van haar zoontjes niet groeide. De paters gaven de vrouw een medaille en zeiden dat ze alles moest verbranden wat het kindje had gebruikt. De vrouw volgde de raad op, maar ze vergat een paar laarsjes te verbranden. Omdat het kind niet genas, ging ze opnieuw naar de paters. Toen ze ook de laarsjes had verbrand, herstelde het kind snel.
Bron
P. Vandewalle, Leuven, 1968
Commentaar
west-vlaams (o van houtland)
444
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Steenbrugge (paters van)   
paters van Steenbrugge   
Naam Locatie in Tekst
Hertsberge   
Plaats van Handelen
Steenbrugge   
