Hoofdtekst
Mon grand’père avait peur de sorciers. Il avait quatre garçons. A côté de leur ferme, il y avait un vieux monsieur malade. Alors le malade voulait aller au boulanger. La mère répondit : « Les garçons iront à la place du vieux. » Mais ils n’allaient pas. Quand ils sont arrivés à la maison plus tard, ils ont trouvé la haie pliée. Les parents n’avaient rien vu. Ils ont envoyé les garçons chez les Pères. Ils n’onot plus jamais vu quelque chose de contraire. Mais une autre fermière avait préparé de l’eau pour laver le beurre. Et le vieux mort a gratté à la fenêtre. Elle est tombée dans la cuvée d’eau. Elle a été affligée et elle n’a plus su marcher.
Beschrijving
Een boer die bang was voor tovenaars, had vier zonen. Naast zijn boerderij woonde een oude zieke man. Toen die man naar de bakker wilde gaan, riep de boerin: "Mijn zonen zullen wel in jouw plaats gaan!"
De zonen gingen echter niet. Wanneer de zonen later op de dag thuiskwamen, zagen ze dat het hek geplooid was. De boer en de boerin hadden nochtans niets gezien. Ze zonden hun zonen naar de paters, die nog nooit zoiets hadden gehoord.
Een andere boerin had water klaargemaakt voor het bereiden van de boter. Toen de oude man aan haar raam krabde, viel ze in het water. Ze was bedroefd en heeft nooit meer kunnen lopen.
De zonen gingen echter niet. Wanneer de zonen later op de dag thuiskwamen, zagen ze dat het hek geplooid was. De boer en de boerin hadden nochtans niets gezien. Ze zonden hun zonen naar de paters, die nog nooit zoiets hadden gehoord.
Een andere boerin had water klaargemaakt voor het bereiden van de boter. Toen de oude man aan haar raam krabde, viel ze in het water. Ze was bedroefd en heeft nooit meer kunnen lopen.
Bron
G. Speecke, Leuven, 1959
Commentaar
2.2 Tovenaars
frans
311
Grootvader van de informant
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Roncq   
