Hoofdtekst
I En van die dwaallichtjes of zo?22 Die lichtjes wat zo brandden ? Dat is hier ook geweest, ze hebben me dat gezegd. Ik heb dat ook niet gezien, hé. Maar hier is de Tramweg; hier liep de tram vroeger door van Luik naar Riemst en zo op Bilzen. En dat was een diepe gracht, hé.23 Een gracht… (onverstaanbaar).22 En dar stonden aan ‘alle kaante’, … (lawaai van overvliegende vliegtuigen) van die lichtjes kwamen dan uit en dan hadden de ‘läöi’ bang. En ja, toen waren er, op het laatste die waren gaan zien en alles en toen waren het van die vuurmaden wat daar zaten. Toen was het dat, hé. En daar hadden de ‘läöi’ bang voor, daar maakten ze de kinderen ook bang voor en de ‘läöi’ ook. Juist zoals de ‘läöi’ vroeger de kinderen bang maakten met doodzonde en van alles. Nu bestaat dat nog [gelach]. Ja, maar vroeger maakten ze je met alles bang, hé, met de ‘booi’ (= veldwachter) met de gendarmen, met de hele boel, hé. Jaja. Ja, meisje zo gaat het met alles. Je vergeet ook veel, hé.I Maar gij weet nog allebei heel veel, want zoveel heb ik nog van niemand gehoord.22 Niet?23 [lacht]I Nog van niemand. Ik ben gisteren nog bij een man van drieënnegentig in Millen geweest en die wist niet zoveel te vertellen.22 Niet?
Beschrijving
In de gracht naast het tramspoor van Luik naar Bilzen zagen de mensen soms lichtjes. De mensen waren erg bang voor die lichtjes. Later ontdekten ze dat het vuurmaden waren.
Bron
H. Schoefs, Leuven, 1996
Commentaar
1.3 Vuurgeesten
limburgs (groot-riemst)
22L 359
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Riemst   
Plaats van Handelen
Bilzen   
Luik   
