Hoofdtekst
Ne gebuur had hier ne meers mee een koppel paarden en alle nachtsten werden die paarden bereên en ze zoôn toch willen weten hebben wie dat dat deed, en dat waren twee vrouwmensen die nen eierdop hadden en ze zettegen zij hen op die paarden en ze bereên ze; en ze paktegen zij dienen eierdop en ze gingen zij daarmee naar huis, diëne gebuur hé mee zijn broere. En die toveressen kwamen zij daar binnen en ze spraken schoon om hun eierdoppen willen weer te geven, dat ze vanBrussel waren en dat ze niet en zoôn thuisgeraakt hebben. Zo dat was dat ez macht hadden hé door diënen eierdop! En ze gaven een stuk goed om ne mantel mee te maken en ze zeien: “G’en moet niet schouw (bang) zijn dat we hun beesten nog zullen komen berijen”. En z’en hebben nimmer geweest ook! En ze zeggen dag ze mee een schare veel kunnen doen!
Onderwerp
SINSAG 0781 - Mahr im Stall ertappt. Gelübde nicht wieder zu kommen. (Erlösung).   
Beschrijving
Een man stelde vast dat zijn paarden iedere nacht werden bereden en besloot een keer de wacht te houden in zijn weide. De boer zag twee vrouwen op een eierdop verschijnen, die de paarden bereden. Daarna vlogen ze op hun eierdop weer naar huis. Op een dag namen de boer en zijn knecht de eierdoppen weg. Daardoor kwamen de vrouwen binnen. Ze zeiden dat ze van Brussel waren en dat ze niet naar huis konden zonder die eierdoppen. Ze gaven de mensen een stuk stof om een mantel te maken en beloofden nooit meer te zullen terugkomen. Daarna gaven de mensen de vrouwen hun eierdoppen terug.
Bron
M. Van Der Linden, Leuven, 1964
Commentaar
1.5 Plaaggeesten
oost-vlaams (denderstreek)
738
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Ophasselt   
Plaats van Handelen
Brussel   
