Hoofdtekst
6 Ja, dat was overal in Blankenberge, hé. Roesschaert, dat was de watergeest of de kwelgeest.I Jaja.6 Men vertelde daarover, iedereen was daar wel een beetje bang voor, voor Roesschaert. Ik heb het verhaal zo, dat er vroeger een oude vrouw woonde in de duinen, naar de kant van Zeebrugge op, dus de oostkant van Blankenberge, in een klein huisje. Dat was een vrouw die iedereen aansprak en iedereen was daar een beetje bang van.I Ja.6 Ik herken hetzelfde verhaal van Stientje Bogaert, honderd jaar later.I Ah ja.6 Ik herken daar zo dingen in. Dus, die vrouw sprak iedereen aan, en iedereen was daar een beetje bang voor, en op zekere dag moet er een zeer zware storm geweest zijn en is dat huis ingestort. Dat was een huisje met een rieten dak waarschijnlijk, hé.I Jaja.6 En iedereen ging kijken naar dat huis, enne, de mensen stonden daarrond te praten en ze waren precies blij dat die vrouw, dat die vrouw weg was, en dat dat huis ingestort was. En ineens horen zij precies een klein hondje weglopen en al roepend en al, met bellen en zo, hij maakte allerlei soorten lawaai en dat sprong van tussen die balken en dat puin dat daar lag weg.I Jaja.6 En dat hondje werd groter en groter en groter en dat was ineens ... [onverstaanbaar].I Jaja.6 Enne, en die kon zich, kon andere gestalten aannemen, hij kon zich zwaarder maken, lichter maken. Hij kon een andere, hij kon stemmen nabootsen.I Ja.6 En die was erop uit om vissers, om mensen te plagen, zo, en ook om vissers te laten verdrinken.I Jaja.6 Dus, hij kon aan boord komen, en hij ging op één kant van het schip gaan zitten, en hij werd zwaarder en zwaarder en dat schip draaide om en de mensen verdronken.I Ja.6 Een kwaaie, een kwaaie geest. En een, niet dat ze daar echt in geloofden, wè, maar ze waren toch een beetje bang daarvan.I Jaja.6 En daarom, zegt men, dat in Blankenberge de vissers een bijnaam kregen om te ontsnappen - dus ze werden niet bij hun achternaam genoemd, maar bij hun bijnaam, mijn schoonvader bijvoorbeeld, dat was Jantje Kloefe [= Jan Strobbe], maar zijn vader noemde ook al Kloefe en zijn grootvader noemde ook ...I Jaja.6 Dus dat ging precies over, dat waren namen die overgingen in de familie, van vader op zoon.I Ja.6 En als er vier zonen waren, dan deelden die allevier soms die naam, je had dan Pier van Kloefens en Jan van Kloefens en Charles van Kloefens, ... [onverstaanbaar].I Jaja.6 En ze namen die naam over, en dat was, zegt men, om te ontsnappen aan die, aan Roesschaert, Roesschaert kon hen dan niet vinden, omdat ze een andere naam hadden.I Ah ja.6 Dus, dan hadden ze een deknaam of een schuilnaam. En er was dan ook een soort doopceremonie: als ze in ‘t begin gingen varen, als laver1, dan werden ze gedoopt en er werd iets gezegd van: "Ik doop U", ‘k kan ‘t niet juist zeggen, en "Weg met Roesschaert, die duivel Roesschaert, die lelijkaard, gaat je niet vinden" of zoiets, en "Vanaf nu noem jij eh, Bode". (6 en I lachen) "Noem jij ...," zo. Ja, maar ‘t is eigenlijk echt zo, ze zeggen dat erbij, dat dat was om te ontsnappen aan de, aan die geest.I Ja.6 ‘k Heb dat een keer gelezen ook, in de Sensitverhalen. Volgens mij, is dat verhaal - denk ik - is dat verhaal veel ouder dan dat, want dat hutje zou verdwenen zijn in 1782. Er moet dan een heel grote storm geweest zijn, het hutje moet dan in elkaar geslagen zijn, maar die legende moet al vroeger bestaan hebben.
Onderwerp
TM 3402 - De kinderschrik   
Beschrijving
Er heerste grote angst voor de plaaggeest Roesschaert, die van gedaante kon verwisselen en heel groot kon worden. Mensen die zich met toverij bezighielden, waren haast altijd vrouwen.
Bron
N. Goderis, Leuven, 2003
Commentaar
2.1 Heksen
west-vlaams (torhout en omstreken)
9bbb
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Blankenberge   
Naam Locatie in Tekst
Torhout   
