Hoofdtekst
Beschrijving
Op de gemeenteberg zu men ooit een schat hebben gevonden. Er stond een pastoor met een hostie bij. De schatkist was van de Turken. Wanneer men de kist op de trappen van de kar had getild en iets zei, zakte ze tweemaal zo diep als voorheen in de grond. De schat zou er nog steeds liggen, maar men weet niet of ze op de duvelsberg of onder de grote paal ligt. De paal werd ook door de Turken gezet, want er staat een onleesbaar opschrift op. Als men de schat probeerde op te graven, kwam men allerlei vreemde zaken tegen, die ervoor moesten zorgen dat de schattenjager zou lachen en spreken. Men zag bijvoorbeeld muizen met pollepels aan hun staart en 'pepels' met hooiwagens. Als men spreekt, zakt de schat dieper weg. Als men zo'n schat wilde opgraven, moest er altijd een pastoor met een hostie bij staan. Op de schatkist lag een duivel aan een ketting vastgebonden. Wilde men de ketting losmaken, dan stierf men. De duivel lag daar gezworen. De Turken zijn ooit eens met vijfhonderdduizend soldaten gekomen om die schat terug te halen, maar ze mochten het land niet binnen. Ze mochten van de koning alleen met tweehonderd soldaten binnen, maar dat durfden ze niet aan.
Bron
L. De Wit, Leuven, 1956
Commentaar
4. Historische sagen
antwerps (mechelen en omstreken)
394
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Turken   
duivelsberg (Rijmenam)   
Naam Locatie in Tekst
Rijmenam   
Plaats van Handelen
duivelsberg (Rijmenam)   
