Hoofdtekst
’t Waren daar Blauwen ip Wingene en da waren vader en moeder en een dochterke die d’r bij weunde. En de moeder ging dood en da kindje zag alten moeder vlak voor heur ogen. En ze riep ton: "Maar moeder toch, kijk hoe schone!" En ip zekere dag zei het: "Vader, mag ‘k een kruiske hèn, moeder is daar were en ze vraagt voor mee te gaan." En meziere (inderdaad) Gods, ’s anderendaags lag het kindje dood.
Onderwerp
SINSAG 0450 - Andere Tote spuken.   
Beschrijving
Bij een gezin in Wingene was de moeder gestorven. Het kindje zag de geest van haar overleden moeder de hele tijd voor haar ogen. Op een dag zei het kind: "Vader, mag ik een kruisje hebben? Moeder is daar weer en ze vraagt of ik met haar mee ga". De volgende dag lag het kind dood.
Bron
P. Vandewalle, Leuven, 1968
Commentaar
1.4 Luchtgeesten
west-vlaams (o van houtland)
216
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Wingene   
Plaats van Handelen
Wingene   
