Hoofdtekst
I -En hebt ge nooit niet gehoord dat een heks in de kerk herkend werd?27 HH -Die steken hun hand in het wijwatervat niet hé.I -En heks steekt haar hand in het wijwatervat niet?II -Ah, forcément.I -En zo kunt ge haar herkennen dan ook? 27 -Ja.I -Ah, dan moet ik een heks zijn, want ik mijd dat ook altijd van mijn hand daar echt in te steken.(gelach).27 -Ja, ‘t schijnt dat het heks niet, jamaar, ik spreek eigenlijk; die van vroeger jaren hé.(Ik vertel nu de sage waarbij de pastoor de heksen dankzij de weerspiegeling in de kelk kan herkennen. Boven elke heks is namelijk een bijenkorf te zien. Ik vraag of de informante zelf nog dergelijke verhalen hoorde. Dit was niet zo.)27 -D’er hebben d’er (paasnagels) onder ons poort jaren gezeten hé, met die Lokkefie.
Beschrijving
Een heks kon men herkennen aan het feit dat ze in de kerk haar hand nooit in het wijwatervat stak.
Bron
C. De Winne, Leuven, 1999
Commentaar
2.1 Heksen
oost-vlaams (groot-zottegem)
27HH
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Grotenberge   
