Hoofdtekst
Ik ben zelf behekst geweest, ik weet dat ook maar van mijn mam te horen vertellen en mijn twee broers waren ook behekst, ene ouder en ene jonger en die zijn allebei gestorven. Ik was zeventien maand en daar kwam altijd een vrouw in huis die kwam boter en melk en kaas halen, en die nam ons op haar schoot.Ik was heel verlamd en ik 'keekde' van 's morgens tot 's avonds zo erg dat de mensen van op de straat eens over de poort kropen om te zien wat daar toch gaande was. Ze waren al de 'doktoors' van 't land afgegaan maar die konden niet zeggen wat ik had, ik kon me niet verroeren. Toen was het eens missie in 't dorp. Een van de paters, een Witheer, deed de mis en de pastoor kwam zelf met de schotel rond en hij zei tegen mam: 'Kom na het lof eens met het jongske.' Ze gingen met het koetske de kerk in en toen moest mam me plat op haar schoot leggen en toen legde de pater een medalie zo groot als een vijffrankstuk op mijn voorhoofd en ik zei nog: 'Die tik-tak is groter dan die van pa', ik begon al verstand te krijgen, ik was toen al drie jaar. De pater begon te lezen en in elke zin kwam mijn naam, en dat duurde nog geen vijf minuten, toen liep het zweet zo aan hem af, juist of ze water op hem goten. Hij had een dik half uur gelezen en toen zei hij: 'Nu zult ge gauw genezen zijn', die medalie steekt ge onder de 'zöl' en dan zal die persoon uit uw huis blijven, maar ge moogt niet zeggen: 'Kom in' want dan heeft ze opnieuw macht, en als ge op straat iemand tegen komt die zegt: 'Wat een schoon kind' dan moet ge antwoorden: ''t Is een kind dat God geschapen heeft' dan hebben ze ook geen macht meer. En toen ze thuiskwamen, zat daar een tante en mam zei: 'Och, zijt gij hier?' en toen gooide ik me om en ik had in negentien maand mijn hoofd niet meer zo of zo gedraaid, en op drie weken tijds was ik genezen.De dag zelf toen de medalie nog niet stak, is dat vrouwmens nog thuis geweest en daarna heeft ze daar nooit geen voet meer gezet. Toen zei een gebuur tegen haar: 'Hebt ge kwestie gehad met die mensen?' - 'Ik kan die ellende niet aanzien' zei ze, dit was om haar te 'verschonen' want de ellende was gebroken. Daarna zijn ze uit 't dorp vertrokken.
Onderwerp
SINSAG 0580 - Andere Hexenkünste   
Beschrijving
Een familie had drie zoontjes die nog jong waren. Bij de familie kwam regelmatig een vrouw boter en kaas halen. Wanneer ze kwam, nam ze de kinderen bij haar op schoot. Na enige tijd raakte één van de zoontjes verlamd. Hij kon zijn lichaampje niet bewegen en huilde de hele dag. De dokters waren ten einde raad. Op een dag was er een Witheer in het dorp en die pater nodigde de moeder en het zieke kind uit om na de eucharistieviering naar de kerk te komen. De moeder moest haar zoontje plat op haar schoot leggen, waarna de pater een medaille op het voorhoofd van het kind legde. Een half uur lang zegde de pater gebeden op voor het kind. Reeds na vijf minuten droop het zweet de pater van het gezicht. Na afloop zei de pater tegen het jongetje: "Je zal nu gauw genezen zijn", en hij gaf de moeder het advies om de medaille onder de dorpel te leggen, zodat de heks voortaan uit het huis zou blijven. Wanneer de heks aan de deur zou komen, mocht de moeder niet zeggen "Kom binnen", want dan kreeg ze opnieuw macht. Indien er op straat iemand zei: "Wat een mooi kind!", dan moest de moeder antwoorden: "Het is een kind dat God geschapen heeft!" Na drie weken was de jongen volledig genezen. De heks is niet meer langsgekomen.
Bron
F. Beckers, Leuven, 1947
Commentaar
2.1 Heksen
zuid-limburgs
Verhalen van de kwade hand: variante
memoraat
Het verlamde zoontje uit het verhaal was de informant zelf.
Naam Overig in Tekst
Witheer (pater)   
Naam Locatie in Tekst
Vliermaal   
