Hoofdtekst
Do was in Niel ene man met een grote tovermaach. Hij hoa e dik boek en dat droeg hij altaid met zich. Het was soms genoeg dat dei man ergens oan daach en het gebeurde zoals hij wilde. Zo goenk hij op ne keer wandelen en hij koem een vrouw tegen. Toen ze neven hem deurkoem zaag hij: 'Ich zeg dat zjei nie deurkunt en dat zjei deur de modder moet goan.' En noa enige taid gebeurde het zoals de tovener gezaag hou.
Beschrijving
Een man uit Kerniel bezat een toverboek. Toen de man op een dag een vrouw tegenkwam, zei hij: "Ik zeg dat je niet door kunt en dat je door de modder moet gaan". Zo gebeurde het ook.
Bron
R. Jageneau, Leuven, 1965
Commentaar
2.3 Toverboeken
limburgs (borgloon)
468
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Jesseren   
Plaats van Handelen
Kerniel   
