Hoofdtekst
Er waren eens twee reizigers om wereldfaam te maken. Die gingen daar op uit en reisden meestal 's nachts. Maar nu hadden ze toch al zo lang gegaan, dat zij ginder ver, een heel klein straaltje licht zagen. Zij gingen er nieuwsgierig naar kijken. Toen ze er kwamen, stelden ze vast, dat de poort open stond. Er lag een monster van een hond op een drietal meter van de poort, doch zij stoorden er zich niet aan en gingen naar binnen, want zij hadden honger en dachten, dat er daar nog eten te vinden was. En inderdaad, in een hoek stond nog wat meel in een zak. Zij maakten aanstonds een vuurtje en begonnen volop met koeken te bakken. Maar wanneer de eerste koek klaar was, gebeurde er iets. Er viel een been uit de grote schouw. De oudste van de twee zei: 'gij kunt zoveel vallen als ge wilt, maar uit mijn pan moet ge blijven!'Wanneer ze vijf koeken gebakken hadden was er terzelfdertijd nog een been, het lichaam, de armen, en de kop door de schoorsteen naar beneden gekomen. Tot hun verbazing, zagen zij nu een gedaante van een spook dat voor hen stond, en dat ook nog begon te spreken. Het zei: 'volg mich na de kelder.' De twee reizigers deden wat het spook zei. Wanneer ze bij de trap waren, zei het spook weer: 'daalt gij maar eerst naar beneden.' Maar de 2 jongens zegden: 'Als gij voor gaat, zullen wij volgen.' Wanneer ze onder kwamen, zagen ze een grote zware steen liggen. 'Hef hem op!' zei het spook. 'Doe het zelf' zeiden de 2 anderen. Toen het spook de steen opgeschoven had, zagen zij dat een hoop goudstukken er onder lag.Zij stonden als aan de grond genageld, doch het spook zei: 'Neem de helft van het geld voor U en de andere helft voor missen te laten doen voor mijn ziel.'Dat deden ze en gingen heen. Zij gingen naar een klooster van paters waar zij het geld gaven om de missen te laten doen. Met de andere helft van het geld waren ze schatrijk. Nu was hun reis ten einde, en ze leefden nog lang en gelukkig.
Onderwerp
SINSAG 0477 - Begegnung mit Geistern.   
SINSAG 0402 - Die versäumte Wallfahrt (Messe, Gabe)   
Beschrijving
Twee reizigers zagen in de verte licht branden in een boerderij. Moe en hongerig gingen de mannen er op af. Hoewel er een monster van een hond op drie meter van de poort lag, gingen de reizigers onbevreesd de hoeve binnen. De mannen maakten een vuurtje en bakten koeken met het meel dat ze in een zak hadden gevonden. Toen de eerste koek was gebakken, gebeurde er echter iets vreemds: uit de schoorsteen viel een been. De oudste reiziger sprak: "Laat maar vallen wat je wil, maar blijf uit mijn pan." Even later hadden de mannen al vijf koeken gebakken. Ondertussen waren er nog een been, een romp, twee armen en een schedel uit de schoorsteen gevallen. Plots stond er een spook vóór de mannen, dat hen vroeg om naar de kelder te gaan. De reizigers lieten het spook voorop gaan. Eénmaal in de kelder, zagen ze een grote zware steen liggen. "Hef die steen op!", beval het spook. De mannen lieten het spook echter zelf de steen opheffen. Onder de steen lag een hoop goudstukken verborgen. Daarop sprak het spook: "De helft van het geld is voor jullie. Met de andere helft moeten jullie missen laten doen". Met de helft van de goudstukken gingen de mannen naar de paters, en met de andere helft konden ze een zorgeloos leven leiden.
Bron
M. Dreezen, Leuven, 1967
Commentaar
1.4 Luchtgeesten
limburgs (tongeren en omstreken)
491
fabulaat
Dit verhaal werd voor M. Dreezen opgetekend door J. M. uit Millen.
Naam Locatie in Tekst
Millen   
