Hoofdtekst
48 O -Maar thans (nu) ga ik vertellen van een vrouw en die woont in, ja hoe heet het nu? Ah ja, een beetje de uitkant, allez, de uitkant hier, maar ik kan nu niet op haar, allez, de juiste straat kan ik nu niet zeggen waar ze woont en dat mens vertelt mij dus, die heeft hier een keer gezeten en die is daar ook zo altijd mee bezig met al zulke dingen en op een zekere keer die draagt dus en ze heeft mij dat getoond, ze heeft mij dat werkelijk getoond, die draagt dus gewoon, de gewone schapulier van vroeger, met koordjes zo hé, dus dat is een schapulier die op uw borst hangt en op uw rug hangt hé, een stuk op uw borst en een stuk op uw rug, maar dat is zeker zo groot die schapulier, zeker zo groot is dat, dat is gewijd, ik weet niet vanwaar dat ze daar ooit mee komt, ze heeft dat verteld, maar dat is mij ontgaan. En op een zekere, zij zegt altijd: “Als ge een rat ziet, ja, dat is een dier gelijk een ander een rat, maar als een rat rond uw huis of aan uw zulle (drempel) of aan uw muur komt zitten, dan moogt ge altijd zeggen dat de Duivel rond uw huis zit” hé, die spreekt dat werkelijk zo uit, “Dat is duivelswerk” zegt ze altijd. Tot op een zekere keer, ze gaat naar haar bed, en ze woont ook nog met een zoon nog bij haar alleen en die zoon, ja, een normale jonge mens, hij is in de dertig jaar gaat een keer op een avond een keer weg en een keer een zaterdag weg, maar niet voor te zeggen van ‘s nachts thuis te komen, maar hij moest nu toch ieverans naartoe gaan dat het toch een uur of drie vier op de morgen was als hij op de morgen was, dat hij naar een feestje of gelijk wat dat weet ik niet. En dat mens gaat slapen met ten negenen, maar dat was al g’heel de avond dat ze zoiets iets ôt (had) dat ze zei: “Allez, ga ik nu aardig woorden, ga ik nu ziek worden? Ga ik nu...?”, allez, dat ze iets voelde. Ze was dus ongerust, ze was niet op haar positieven gelijk dat ze moest zijn. Daarop gaat ze naar haar bed en ze begint te dromen hé, ze droomt en ze droomt, en ze zweet en ze droomt en ze geraakt niet uit haar droom, ze geraakt daar niet uit en ze droomt en ze droomt en van het een naar het ander en ze woelt en ze werd (wordt) dingen gewaar aan haar en allez, ja, uiteindelijk achter een hele tijd, ze weet zelf niet hoelang schiet ze wakker met het zweet op haar gezicht en ter zelfder tijd komt haar zoon thuis. En hij zegt tegen haar: “Aiaiai ma!” zegt hij, “Ik doe die deur hier open en ‘t springt hier zo’n rat buiten!” en dat mens zegt: “Mannetje het is niet waar hé! Het is niet waar hé! zegt ze en ze vertelt haar droom, zegt ze: “Weet ge wat ik nu gedroomd heb?” zegt ze, “Dat die rat mij kwam kapot bijten! Dat ze mij wilde opeten en die rat zat in mijn bed” zegt ze, “en die beet en die beet, maar,” zegt ze, “ik ben ik niet gebeten, maar ik ben ik toch zo aardig! Aardig!” zegt ze en dat water liep haar af van ‘t zweet en van al dat er was en dat mens doet dus, gelijk dat zij gewoeld en gedaan ôt (had). En ik heb dat, dat heb ik met mijn eigen ogen dus gezien en dat is dus de schapulier, als dat nu, kijk, als dat nu, de helft de schapulier is en dat is het beeld van Onze Lieve Heer, nietwaar? Dat is nu de schappelier, dat heb ik met mijn eigen ogen gezien, dat was hier hier allemaal weggebeten, allemaal rond gebeten, geteten hé, allemaal afgebeten! Enkel en alleen dat gezicht dat was dat niet aan, dat was gebleven. Dus, zegt ze, wat is er gebeurd? Het kan niet anders of die rat heeft in mijn bed gezeten, heeft mij gebeten, heeft dat afgebeten, maar heeft dus niet, door die schapulier kunnen bijten.I -En heeft ze die stukjes teruggevonden?48 -Ze draagt dat nog, dat weet ik niet, dat mag ik niet zeggen. Dat weet niet.II -Maar ze draagt dat nog ‘t geen dat ervan overschiet?48 -Ze draagt die schapulier die, ik heb hem gezien, ze heeft hem mij hier persoonlijk thuis getoond. Zegt ze: “Ik heb hem altijd aan, ik doe hem nooit af”, voor uw te wassen, natuurlijk, ja.I -En ziet ge dat duidelijk dat dat beten zijn van een beest of?48 -Ge ziet dat dat dus afgetrenzeld is, dat dat dus wel degelijk uitgetrenzeld en uitgebeten is.I -En hoe? Dat is toch uit metaal, hoe kan dat?II -Nee, nee, ‘t is stof.48 -Nee, nee, dat is stof.I -Stof?46 -Een schapulier was stof.I -Ah.48 -Maar waar dat dat mens dat ooit gehaald heeft, van waar dat zij daarmee komt, dat heb ik nooit niet gevraagd.46 -Maar dat heb ik ook nog gedragen.48 -Als wij klein waren droegen wij dat.46 -Dat was een stuk vanvoor en een stuk vanachter hé.48 -En dat waren precies schoenstrikken hé, Béréniceken?II -Jamaar ik ken dat toch niet ze (hoor).48 -Nee?II -Bij ons zeiden ze een schapulier dat was thuns (toen) een medailletje dat ze u deden dragen hé. Maar dat was eigenlijk geen schapulier.I -Zoiets? (ik toon de medaille die mijn overleden grootmoeder steeds droeg.)II -Wel zoiets, maar dat is feitelijk geen schapulier hé.I -Dat is van mijn grootmoeder.48 -Dat was zo groot ongeveer in stof, in de donkerbruine stof was dat en d’er stond dus de afbeelding op van de schapulier en de andere kant het Heilig Hart hé, dat was dus zo groot ongeveer hé, was dat.I -En zat er daar iets in of wat was dat eigenlijk, zat er daar iets in in die stof?48 -Nee, dat was een afbeelding, dat wierd gewijd van de paters g’heel zeker, dat was een stukje stof, bruin.46 -Als ze gedoopt wierden kregen ze dat.48 -En als ge gedoopt wierd die kreeg gij de schapulier, dat kreeg gij en dat droeg ge als kind droeg ge dat dat was vanvoor en vanachter op uw rug en ik vergeleek dat altijd met schoenstrikken, dat koordje dat eraan hing, dat was bruin dus zo in die genre, maar platter. Dat was platter.I -Is dat zoiets gelijk de rugnummers die ze soms dragen zo, de coureurs of?48 -Ja, maar zo groot niet hé, dat is maar zo groot.I -Maar op dat gedacht zo, maar kleiner?48 -Ja.46 -Die grootte ongeveer, maar in het vierkant zo.48 -Ja, zoiets.46 -Ja, ik zou zelfs een keer kunnen zoeken of dat ik dat niet meer en vind.I -En die Christus dat was genaaid of hoe zag dat eruit?48 -Nee, dat was een afbeelding.46 -Nee, gedrukt, gedrukt.48 -En de ene kant was het het Heilig Hart die erop stond en de andere kant Was Onze-Lieve-Vrouw met het kindje Jezus hé. Gelijk dat nu op de schapulieren nog staat hé.46 -Ik peins dat ze dat kregen als ze hun ommegang deden, de moeders.48 -Ja, ja.46 -Nu bestaat dat niet meer, vroeger deden die mensen hun ommegang hé.I -Was dat die Ema die dat voorgehad ôt (had)?48 -Nee, dat is een vrouw die, ja hoe heet ze nu?46 -Een kennis van uw vriendin.48 -Allez, een kennis mag ik niet zeggen, dus via iemand dat die vrouw hier een keer geweest ôt (was) om d’er een keer over te spreken en een keer over, maar dat mens woont hier een beetje, allez, een eind verder.II -De ommegang dat is als?48 -Als ze hun een kind gekocht hebben, hun kerkgang.46 -De opdracht van hun kind aan de Lieve Vrouw deden ze hé. En thuns kregen ze dat.
Onderwerp
SINSAG 0933 - Begegnung mit dem Teufel, welcher verschiedene Gestalten annimmt.   
Beschrijving
Een vrouw die altijd een schapulier droeg, geloofde dat een rat die rond een huis of bij een drempel of een muur zat, in werkelijkheid de duivel was. Die vrouw woonde samen met haar zoon in een huisje. Op een avond moest de zoon ergens naartoe, waardoor hij pas omstreeks drie uur ’s nachts thuiskwam. De vrouw was rond negen uur gaan slapen, maar voelde zich niet goed. De vrouw kreeg een vreselijke nachtmerrie en schrok helemaal bezweet wakker toen haar zoon thuiskwam. De jongen riep: “Moeder, ik doe die deur open en er springt hier zo’n grote rat naar buiten!” De moeder had gedroomd dat er een rat in haar bed zat, die haar wilde doodbijten. De vrouw bekeek haar schapulier en zag dat er overal aan was geknaagd. Enkel het gezicht was intact gebleven.
Bron
C. De Winne, Leuven, 1999
Commentaar
3.1 Duivels
oost-vlaams (groot-zottegem)
48O
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Zottegem   

