Hoofdtekst
X Nu moet je ook nog iets vertellen van spoken hier in Tongeren. Weet je daar iets van?24.29 Van spoken? Wat zouden ze spoken?X Van Nol van het kerkhof? (Arnold Volders)24.29 Nol van het kerkhof? Nol, ja, dat was een deugniet hé, oh ja. Die liep altijd over de muur van het kerkhof en dan had hij een laken over zich getrokken, en hij had een doodskop in zijn hand en daar brandde een kaars in hé. Daar was niemand die daar durfde voorbijgaan hé. En Janke Gielen, dat was ene die voor goudsmid leerde hé. En voor mij werkte die met ene Rogister. En die moest dan altijd achter het kerkhof opgaan. Ja, en die verging van de schrik. Nu zei François Thielen, die woonde onder op Bilzersteenweg, dat was een varkenskoopman, die had altijd zo een grote stok. "’t Is niks", zei die, "gaat gij maar door, ik kom achter u na." En Janke ging door, kloek (moedig) hé, en hij dacht: François is toch achter mij. En Janke door en hij begon toch te lopen, maar Fra, die was langs de muur opgegaan en hij sloeg naar het spook zijn benen onder zich uit. Maar in plaats van op het straat te vallen, viel hij op het kerkhof in, en daar valt hij op een steen. En daar lag het spook hulp en moord te schreeuwen. En hij heeft nooit meer kunnen gaan. Hij heeft altijd met een stijf been gegaan. "Dat is een straf", zeiden de mensen altijd hé. Ja, die stak (haalde) van alles uit. Mijn grootmoeder en de oude Valentine Quatvlieg die gingen bidden aan een graf. En vroeger jaren hadden ze daar zo’n struiken en daar kwamen dan zo van die appeltjes op, weet je niet? (een soort wilde rozen). Maar dat was dan een hele struik, hé. En plots staat die daar recht achter. Maar daar was hij zijn plaats bijna kwijt geweest. De juge Beckers, als mijn grootmoeder gegaan was, hé, dan was hij van het kerkhof afgezet, hé. Omdat… die een (Valentine Quatvlieg) had zich neergelegd, dat was in dat mens haar bloed geslagen. En toen hebben ze het zo gelaten, voor het vrouwtje, voor die zijn vrouw alweer, hé.En dan komt daar een andere man, een jongen, Hooisjaan, vanonder op Bilzersteenweg aan je linkerkant, als je het kruispunt voorbij bent daar aan de garage, hé; awel, nog een beetje lager af daar moet een boerderij half vervallen zijn, aan de linkerkant. En dat was bij Hooisjaan. En die vrouw was daar met haar zoon. Nu is die vrouw gestorven. "Moeder", zei hij, hé. Nu ging hij naar het kerkhof, hé, en hij ging naar het graf van zijn moeder. "Och, moeder", zei hij , hé, "je moest eens weten hoe alleen dat ik ben." Plots zegt Nol van vanachter: "’t is niks, mijn zoon, ik ben bij je." Die van het kerkhof lopen, alles wat hij kon lopen: "Ik heb met moeder gesproken", zei hij. Maar het was Nol die achter de struik had gestaan. (lacht)
Beschrijving
In Tongeren liep een grapjas met een laken over zijn hoofd over de muur van het kerkhof. In zijn hand hield de grapjas een doodshoofd waarin een kaarsje brandde. Op een avond sloeg een dappere man het spook met een stok van de muur. De grapjas maakte een ongelukkige val en belandde op een grafsteen. Door dat ongeluk heeft de grapjas nooit meer kunnen lopen.
Een man stond bij het graf van zijn moeder en zei: "Moeder, je moest eens weten hoe eenzaam ik ben". Daarop antwoordde een grapjas die zich op het kerkhof had verborgen: "'t Is niets, mijn zoon, ik ben bij je". De man was ervan overtuigd dat hij met zijn moeder had gesproken.
Een man stond bij het graf van zijn moeder en zei: "Moeder, je moest eens weten hoe eenzaam ik ben". Daarop antwoordde een grapjas die zich op het kerkhof had verborgen: "'t Is niets, mijn zoon, ik ben bij je". De man was ervan overtuigd dat hij met zijn moeder had gesproken.
Bron
E. Meeus, Leuven, 1985
Commentaar
1.4 Luchtgeesten
limburgs (tongeren)
24.29
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Tongeren   
Plaats van Handelen
Tongeren   
