Hoofdtekst
VariantEr was hier een boer, wiens tarwe moest gewied worden. Een schaper (schaapherder) zei hem: “Laat mij maar gerust doen.” Hij kwam met zijn kudde schapen en joeg ze door de plek tarwe. Ze beten allen het kruid af en de tarwe lieten ze staan. De boer kwam ne keer kijken en als hij dat zag riep hij: “Jezus, Maria, Jozef, wat doet ge nu?” en op slag stond al het kruid er weer en begonnen de schapen de tarwe af te bijten.
Beschrijving
In Erpe woonde een boer wiens tarweveld vol onkruid stond. Een schaapherder kwam ter plaatse en joeg zijn schapen door het veld. De dieren aten alleen het onkruid op en raakten de tarwe niet aan. Toen de boer de schapen in het veld zag, riep hij: “Jezus, Maria, Jozef, wat doe je nu?” Het volgende ogenblik stond al het onkruid er weer en begonnen de schapen van de tarwe te eten.
Bron
P. Henderickx, Leuven, 1959
Commentaar
2.2 Tovenaars
oost-vlaams (tussen schelde en dender)
293
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Erpe   
Plaats van Handelen
Erpe   
