Hoofdtekst
Op ’t Vlèruskot, mijn vader heeft daar nog gewrocht, de vent is ook lange dood en geoordeeld. En ’t liggen daar onderaardse gangen in, in de grond. En dat was nog van ten tijde van de Duitse Schapers. As de Duitse daar waren hebben ze nog geprobeerd van met de boer d’rin te gaan. Maar, van als ze lucht (licht) d’rin deien, rechtuit (dadelijk) sloegten uit. Je ging direkt dood (uit). En ze vielen omme, ze wierden slecht (onpasselijk) as ze d’rin gingen. Dat was gelijk nog altijd betoverd, zei mijn vader. - Ja, je moet maar een keer in een aalput gaan, je gaat ook niet kunnen he. Ewèl, ’t was daar ook geen middel. De Duitse gingen dat anders wel doen wè (hoor), vent, maar ze kosten niet.
Beschrijving
Onder het Vlèruskot waren onderaardse gangen die dateerden uit de tijd van de Duitse Schapers. Wie die gangen durfde te betreden, viel onmiddellijk dood. De plaats was nog altijd betoverd.
Bron
J. Aspeslagh, Leuven, 1958
Commentaar
2.2 Tovenaars
west-vlaams (kamerlingsambacht)
258
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Vlèruskot   
Naam Locatie in Tekst
Leffinge   
Plaats van Handelen
Vlèruskot   
