Hoofdtekst
16 Op een zeker ogenblik, m’n oom die ging altijd wat wandelen ’s avonds. Maar alles was zo donker, er was geen licht op straat of niks. Hij ging die kleine straat daar af en daar was een voetpadje naar het veld in. Op een zeker ogenblik ziet hij daar in dat wegske een haas zitten die niet wegliep. Maar hij kon daar niks aan doen (= hij kon hem niet vangen). Hij gaat ‘jòues’, hij haalt z’n jachtgeweer en hij gaat terug naar die haas voor die haas te schieten. Hij schiet op de haas en op dat ogenblik dat hij de haan (van het geweer) aftrekt, ontploft z’n geweer; de cartouche die in het geweer zat. In plaats van te schieten op de haas, ontploft dat geweer: een bol vuur rond z’n geweer. Hij verschrikt zich, maar hij had niks aan zich. Hij loopt ‘jòues’, maar toen hij bij hem het huis inkwam - die woonde bij ons (thuis). In dat huis ben ik geboren. Toen zat die haas achter de stoof, een oude Leuvense stoof zoals vroeger nog was. En die haas zat daar achter de stoof op z’n gemak zoals een kat zou zitten, zo zat de haas daar. En hij (= zijn oom) verschrikt zich en ziet de haas en hij doet de deur wijd open uit schrik. En die haas staat op z’n gemak op en hij gaat de deur uit en hij verdwijnt op de straat. Hij is nooit meer durven gaan zien daar wat daar gebeurd is met die haas. Zo is dat.
Onderwerp
SINSAG 0311 - Weisse Frau ist eine zurückgekehrte Tote.
  
Beschrijving
Een man die op een avond in het donker ging wandelen, zag in een veldweg een haas zitten die niet wegliep. Omdat de man de haas niet kon vangen, ging hij naar huis om zijn jachtgeweer te halen. Op het ogenblik dat de man de trekker overhaalde, ontplofte de kogel in het geweer. Bij zijn thuiskomst zag de man de haas achter de Leuvense stoof zitten.
Bron
H. Schoefs, Leuven, 1996
Commentaar
1.4 Luchtgeesten
limburgs (groot-riemst)
16A' 311
Oom van de informant
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Val-Meer   
