Hoofdtekst
13 G -Heksen, dat was als er ene was die een wat aardig deed (zich vreemd gedroeg), wierd zij beschuldigd, “kijk, dat is daar ook zo een” zeiden ze, “de pastoor zal daar een keer moeten bijgaan”. Maar d’er was er aan die (dat) mens niets, in die tijd was dat zo, hé, de mensen waren thuns (toen) christelijk hé, als ze dan een pastoor zagen komen van een kilometer verre, zaten ze al op heur (hun) knieën met heur (hun) handen omhoog. Als wij naar school gingen ook hé, als ge het niet en deed ge zou in de school wat beleefd hebben, dat was normaal hé, in hulderen (jullie) tijd was dat al veel anders hé. Ja maar nu. En die pastoor als ge die thuns (toen) tegenkwam was hij altijd in zijn boek aan het lezen hé dat ge nu niet meer en ziet, met zijn lange rok aan, met zijn brede hoed op, dat liep altijd aan ‘t lezen, maar nu ziet ge het verschil niet meer tussen een pastoor en (gewone mens).
Beschrijving
Mensen die zich een beetje vreemd gedroegen, werden er vaak van verdacht heksen te zijn. Men zond de pastoor vaak naar zulke mensen.
Bron
C. De Winne, Leuven, 1999
Commentaar
2.1 Heksen
oost-vlaams (groot-zottegem)
13G
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Velzeke   
