Hoofdtekst
’t Waren twee meisjes die gingen, ‘k weten nie naar waar, en z’hadden een pander met eiers. De schaper klapte der tegen en ze wilden lijk nie spreken en j’hadde een schuifelet (fluitje) en je schuifelde op zijn schuifelet en die meisjes begosten dansen en al die eiers vlogen uit op de grond en ze waren al gebroken. Tot als hij ze dei stille staan en zei: "Ja, je zoudt gieder geen goêndag zeggen tegen mij!”
Onderwerp
SINSAG 0750 - Andere Zauberei.   
Beschrijving
Twee meisjes die onderweg waren met een mand vol eieren, kwamen een Duitse schaper tegen, die hen aansprak. Omdat de meisjes zich te goed voelden om met de schaapherder te praten, floot deze laatste op zijn fluitje, waarop beide meisjes prompt begonnen te dansen en alle eieren op de grond vielen. Na een tijdje liet de Duitse schaper de meisjes stilstaan en sprak: "Zouden jullie nu geen goeiedag zegen tegen mij!"
Bron
K. Erard, Leuven, 1966
Commentaar
2.2 Tovenaars
west-vlaams (ieper)
38
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Duitse schaper   
Naam Locatie in Tekst
Wulvergem   
