Hoofdtekst
dô was een boerderê en dô spoukten het; en elke nacht runkelde de gelôsde perels van de kandelôbers; en de 3 junges hadde zoe ne schrik! en nen dag moeste ze de zolder schoenmôke en den hôver binnedoen; en ’s nachs huurde ze bouven op de zoolder oek lawêd; en toen ze ’s merges op de zoolder kâme om de hôver te hôle, lagge de zakke leig en d’hôver lag op de grond; en den hiele zoolder lag vol biestefigure getiekend mê de grône; de pâ zei: "Lôt da mo want as ge de spouke tergt is het nog erger; en vandan af liep elke nacht het pjât los, tot on de bariel; ze duiden het hös beleze, mo dan begon elke nacht in de smis den drêslag, want de vuirâvers wôre smisse; toen hebbe ze het hös verlôte; en het hei 10 jôr leig gest^n; dan kam er iemand ânders in en ze zên noeut gien spouke mier geweesd.
Beschrijving
Drie jongens waren doodsbang omdat het spookte in de boerderij waar ze woonden. Iedere nacht rinkelden de parels van de kandelaars. Op een dag moesten de jongens de zolder schoonmaken en de haver binnenhalen. De volgende nacht hoorden ze een lawaai op de zolder. 's Ochtends waren alle zakken haver leeggegooid op de zolder en waren er figuren getekend in het graan. "Laat het maar zo", zei de vader, "want als je spoken tergt, wordt het nog erger". Sindsdien werd het paard elke nacht losgemaakt. Nadat het huis was overlezen, hoorde men 's nachts geluiden in de smidse. De voorouders van de man hadden namelijk een smederij gehad. Uiteindelijk heeft de man met zijn drie zonen het huis moeten verlaten. Daarna heeft het huis tien jaar leeg gestaan. Toen het huis daarna opnieuw werd bewoond, waren er geen spoken meer.
Bron
A. Abeels, Leuven, 1965
Commentaar
1.4 Luchtgeesten
limburgs (sint-truiden)
240
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Binderveld   
