Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

STOP0045_0046_20669

Een sage (mondeling), 1964

Hoofdtekst

W’an e kleen kindje. Dat kind wos ol zeven maanden oed en ’t schreeuwde hele nachten deure en ’t mieterde up (opgeten van de wormen). ‘k Gon nor kapelon Bruynoghe en ‘k vertellen dadde. De nekke van dat kind zat vul wormes. De kapelon zei: "Is dat kind wel gewoschen?" "Ja, jaa’t" zei’k ik. De kapelon zei: "Je meugt ’t slichtste niet peinzen." "Ne nin’k", zei’k ik, "mor ook ’t beste niet." "’k Gon e keer kommen kijken maandag die komt" zeiten. Mor de maandag kwam mor de kapelon niet. ’t Gerochte vrijdag, de vrijdag van Langemarkkermesse en de kapelon kwam het of. Enne las hij vele over die wiege. "Dat kind gaat nu wel beteren" zeiten. En dat kind wos nu drie dagen stille. T’enden die drie dagen dat kind begoste were te kermieteln (woelen) en te schreeuwen juste lik van te voren. ’t Wos toen kermesse en de woensdag ging ‘k ik nor ’t vierwerk voor de beenhouwerij van Bryons up de mart. Mijn wuuf kwam achter mij. Dat wos etwot dat ze pertang (nochtans) nooit dei. Ik vroegen: "Zijt gij ook nor ’t vierwerk gekommen?" "Jaa’k", zei ze. "En dat kind?" vroeg’k ik. "Wel," zei ze, "Juul is er bij." Ik kwam subiet (direct) nor huus en zij kwam mee. Juul die thuzent meewunde zei: "Okse Potse (Octavie Dumalin) ed hier geweest en ze wilde magerij (niettegenstaande alles) dat kind uuthalen." Mor ik zein: "Je moet het laten liggen want ‘k gon te vele ruze (last) ermee èn." Z’haalde het toch uut. De dunderdag draagt mijn wuuf dat kind ’s noens nor ’t bedde. Ze ging ten tween gon kijken nor dat kind en ’t wos dood. W’haalden d’er de kapelon bij enne zei: "J’e gij joen ring ofgelaten oje ’t droeg." "Neen’k", zei ze. "Bajoch" (toch wel) zei de kapelon en o ze ’t goed bepeinsde wos ’t waar. Dat wos van Octe dat dat kind dood wos. De moeder van die Octe wos ook e hele droeve geweest.

Onderwerp

SINSAG 0580 - Andere Hexenkünste    SINSAG 0580 - Andere Hexenkünste   

Beschrijving

Een man en een vrouw hadden een kindje van zeven maanden, dat vol wormen zat. De ouders gingen met het kind naar de kapelaan. Omdat de geestelijke zag dat de nek van het kindje vol wormen zat, vroeg hij of het kind wel gewassen was. "Jazeker", antwoordden de ouders. De kapelaan trachtte de ouders gerust te stellen en beloofde de volgende maandag langs te komen. De kapelaan kwam die maandag niet. Op vrijdag vóór de kermis van Langemark kwam de kapelaan toch aangelopen. Hij overlas de wieg en voorspelde dat het kind zou genezen. Drie dagen lang was het kindje rustig. Daarna begon het weer te woelen en te huilen. De volgende woensdag ging de vader van het kind naar het vuurwerk ter gelegenheid van de kermis kijken. Even later zag hij dat zijn vrouw hem achterna kwam, hoewel dat niet haar gewoonte was. "En dat kind?" vroeg de man, waarop zijn vrouw antwoordde: "X is erbij". Dat was een man die bij hen woonde. Toen de ouders terugkwamen van het vuurwerk, zei die man: "Y (een vrouw uit het dorp) is hier geweest en ze wilde kost wat kost het kind uit de wieg halen. De volgende dag legde de moeder het kind in de wieg. Toen ze een tijdje later ging kijken, stelde ze vast dat het kind dood was. De ouders vertelden aan de kapelaan wat er was gebeurd. Daarop sprak de geestelijke tot de moeder: "Jij hebt zeker je ring uitgedaan toen je het kind droeg?" De vrouw ontkende, maar de kapelaan zei: "Toch wel". Daarna realiseerde de moeder zich dat de geestelijke gelijk had.

Bron

S. Top, Leuven, 1964

Commentaar

4. Historische sagen
west-vlaams (vrijbos)
21K
memoraat

Naam Overig in Tekst

kapelaan Bruynoghe
Octavie Dumalin
Bruynoghe (kapelaan)

Naam Locatie in Tekst

Langemark    Langemark