Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

FBECK0179_0181_201 - Ene die in de macht van de geest Mjas was

Een sage (mondeling), 1947

Hoofdtekst

Waar nu Gotem ligt, was het in voeger jaren al bos, al bos, meer als een uur aan een stuk, dat was het Appelarenbos.In dat bos zaten veel spoken en geesten en van dat gedoe. De grote geest Mjas was daar de meester en de anderen stonden onder hem. Geen mens was er die daar een voet 'dèrde' zetten en 's avonds en 's nachts dan kwamen ze uit het bos en dan gingen ze de mensen opzoeken en bijzonder jonge mensen probeerden ze in hun macht te krijgen. En als daar een jongen of een meisje eens naar hen luisterden, dan gaven ze 'hen' heel aan hun macht over en dan was daar niets meer aan te doen, die trokken dan mee naar het Appelarenbos. En elke keer als daar een nieuwe aankwam, dan was het daar een hels 'lawijt' en dan wisten de mensen dat er weer iemand verloren was. Ze vertelden dat die geesten daar dan feest hielden rond een grote eik, dat was Mjas-eik, en bij klare maneschijn zagen ze daar de damp optrekken. Dat duurde altijd van twaalf tot één. Maar dat was langzamerhand verminderd en toen dachten de mensen al dat die spoken daar weg waren. En 't was een koude winter en de mensen hadden al hout gehaald aan de buitenkant van het bos. Zo was de schrik minder geworden en toen durfden ze een brug maken over de natste plaatsen van de beemden, dan konden ze gemakkelijker hout halen. Het bos was op 't laatste voor een groot gedeelte omgekapt en toen hadden ze daar een kapel gebouwd. En op een Zondag was daar eens een pater aan 't preken, maar daar was een man in de kerk die groot schandaal gaf. Hij deed zo lelijk dat ze hem moesten binden. Na de mis ging de pater naar die kerel, maar hij zag direct dat dat nog ene was die met de geest Mjas had omgegaan en toen vroeg hij dat al het volk met hem zou mee bidden, hardop. En toen ze bezig waren begon de man te beven en te snikken en te zweten en hij viel plat op de grond. Met een afgrijselijk 'lawijt' liet de geest de man achter en hij liep de beemden in. De man was dood en toen gooiden ze hem van de brug af en daar is hij verzonken, maar hij kwam daar terug spoken. De mensen die daar kort bij woonden, zagen daar veel van af, de koeien en de paarden werden 's nachts losgelaten en braken uit de stallen, de varkens sprongen de deuren kapot en die beesten verzopen dan dikwijls in de beemden. En als daar per ongeluk iemand 's nachts moest doorkomen, dan werd hij in 't water gegooid door iemand die hij niet zag en daar kwam hij dan niet 'leeftig' uit. Dat werd nog erger, bij klaarlichte dag werden mensen nog niet meer gerust gelaten. Het spook gooide paard en kar van de brug af. De mensen wisten niet meer wat doen en toen gingen ze naar de bisschop van Tongeren. Negen dagen achtereen moesten ze bidden en sermoenen werden daar ook gehouden en de laatste dag kwamen er hoge geestelijken en toen werd daar een mis gedaan op die brug. En toen ze belden onder de Consecratie, kwam de geest uit de beemd en hij kwam tot op de brug tot voor de predikant, dat moest een heilige man zijn, een andere kon niets aan hem doen. Toen was hij zo stil als een muiske, de pater deed een zware 'haardketel' halen en die deed hij hem rond zijn hals. En in processie trokken ze toen naar het Appelarenbos en de pater ging voorop met de 'ketel' in zijn hand en de geest volgde gelijk een lammeke. Toen ze aan de grote eik kwamen, maakte hij de 'ketel' aan de boom vast en hij bande hem daar voor eeuwig. Toen jankte en huilde hij lelijk en de mensen hadden weer schrik en toen heeft de pater daar voorgebeden en op 't laatste werd de geest stiller en toen zagen ze hem in de boom kruipen. Van toen af leefden ze daar gerust. Die eik moest vele honderde jaren oud zijn, die me dat verteld heeft, had hem nog zien zien (sic) staan. Ze hadden daar nog schrik en de kwajongens gingen rond de boom dansen, altijd met drieën want als het ene alleen was dan kreeg hij een klets. Dat was me iets toen die boom moest omgekapt worden, daar waren geen liefhebbers voor, maar toen zijn de mannen van Zepperen gekomen, die 'dèren' meer, de boom was zeker zes meter rond.

Onderwerp

SINSAG 0258 - Plagegeist durch Pfarrer (Pater) gebannt    SINSAG 0258 - Plagegeist durch Pfarrer (Pater) gebannt   

Beschrijving

Waar nu het dorpje Gotem ligt, was vroeger een groot bos, dat men het Appelarenbos noemde. Iedereen wist dat in het Appelarenbos geesten ronddwaalden. De grote geest Mjas was hun meester. Er werd verteld dat de geesten 's nachts uit het bos kwamen, om jonge mensen in hun macht te krijgen en hen mee te lokken naar het bos. Elke keer wanneer in het Appelarenbos een nieuwe geest aankwam, was er een hels lawaai te horen. Er werd gezegd dat de geesten elke nacht een feest hielden rond een grote eik, die de Mjas-eik werd genoemd. Bij maneschijn zag men daar tussen middernacht en één uur een soort damp opstijgen. Toen de mensen al een hele tijd niets meer gezien of gehoord hadden in het Appelarenbos, geloofden ze dat de geesten verdwenen waren. Geleidelijk overwonnen de mensen hun angst en durfden ze zelfs in het bos hout gaan halen. De pastoor liet in het bos een kapel bouwen. Toen een pater op een zondag in de kapel stond te prediken, was er onder de toehoorders een man die zoveel ophef maakte dat men hem moest vastbinden. Omdat de pater vermoedde dat het een man was die vroeger met de geest Mjas had omgegaan, vroeg hij alle gelovigen om samen voor de man te bidden. Toen iedereen zat te bidden, begon de man te beven en te snikken. Daarna viel de man plat op de grond, terwijl zijn geest zijn lichaam verliet. Omdat de man dood was, gooide men zijn lichaam in het water. De geest van die man is daarna nog vele jaren bij het water komen spoken. De mensen die in de buurt van het water woonden, maakten vaak vreemde dingen mee. Zo werd hun vee soms 's nachts losgemaakt, zodat het in het water viel en verdronk. Wie 's nachts voorbij het water moest, keerde niet meer levend terug. Soms liet het spook zelfs overdag mensen met paard en kar van de brug vallen. Omdat de mensen ten einde raad waren, gingen ze naar de bisschop van Tongeren. Negen dagen lang moesten de mensen bidden opdat het spook rust zou vinden. Op de negende dag werd er op de brug een mis gehouden door enkele hoge geestelijken. Toen de misdienaars tijdens de consecratie met het belletje rinkelden, kwam de geest plots uit het water en ging gedwee vóór de predikant staan. De pater nam een zware ketting in zijn hand en leidde de geest naar het Appelarenbos. Toen de pater bij de grote eik kwam, maakte hij de geest met de ketting aan de boom vast. Zo werd de geest voor eeuwig uit het dorp verbannen. De geest jankte en huilde , en kroop tenslotte in de boom. Daarna keerde de rust onder de bewoners terug. Soms gingen enkele kwajongens rond de boom dansen, maar ze zorgden er altijd voor dat ze minstens met drie waren, want anders kregen ze van het spook een mep in hun gezicht. Toen de boom moest omgehakt worden, durfde niemand uit het dorp deze karwei aan. Uiteindelijk heeft men enkele mannen uit Zepperen moeten laten komen om de klus te klaren.

Bron

F. Beckers, Leuven, 1947

Commentaar

1.5 Plaaggeesten
zuid-limburgs
fabulaat
Cfr. J. Frère, Limburgsche Volkskunde, Hasselt, 1928, Deel II, p. 170
Frère noemt de boom 'Sniaaseik' omdat er een zeker Sniaas (Sneyers) werd verbannen. Nochtans is 'Sniaas' niet de plaatselijke uitspraak van de naam 'Sneyers'. In Mettekoven wordt wel gesproken van een 'Smias-eik', maar in Hoepertingen en Gotem zegt men 'Mjas-eik'.

Naam Overig in Tekst

Mjas    Mjas   

Appelarenbos (Gotem)    Appelarenbos (Gotem)   

Mjas-eik (Gotem)    Mjas-eik (Gotem)   

Naam Locatie in Tekst

Hoepertingen    Hoepertingen   

Plaats van Handelen

Gotem    Gotem   

Zepperen    Zepperen   

Tongeren    Tongeren