Hoofdtekst
47 Dan kan ik misschien nog vertellen dat ik zelf zo verschrikkelijk bang was en dat ik op een avond, de maan scheen en het was heel klare lucht, dat ik in z’n ‘invaart’ (= oprit) langs een wei, mij verstoken heb met een laken (over me heen). Ik wist dat een nicht van mij daar voorbij kwam. En toen ze daar voorbij kwam, sprong ik naar buiten. Maar ze had het eigenlijk door, dat was het mooiste van alles.I Maar ze verschrok zich toch maar.Maar ze verschrok zich. Ik bedoel maar, hoe er soms vroeger dingen ontstaan zijn, hé. Sommige mensen moesten iets aanvangen, moesten iets doen. Allé, er werden verhaaltjes verteld, er werd van familie gesproken, maar er werden soms ook van die dwaze dingen begaan om mensen bang te maken. Dat was vroeger toch, dat was eigelijk in: mensen, kinderen bang maken. Ja, ook kleine kinderen als ze slapen moesten gaan, dat ze toch maar bang, braaf zouden zijn, hé. "Want dan komt de weerwolf," - of spoken of ik weet niet allemaal wat - "als ge niet braaf zijt!"
Beschrijving
Een man had zich met een laken over het hoofd als spook verkleed om zijn nicht bang te maken.
Bron
H. Schoefs, Leuven, 1996
Commentaar
1.4 Luchtgeesten
limburgs (groot-riemst)
47G 791
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Tongeren   
