Hoofdtekst
Z’en daar van alles verteld. D’er was nen boer en hij woondige, op een hofstee. En ot (als) hij ’s avonds wegging naar ’t dorp stond er altijd nen hond te wachten. Me (we) gaan ne keer zeggen… dat is van voor mijnen tijd. Dienen hond ging mee hem mee… en Manten heeft dat dikkels (dikwijls) verteld dat hij niets en deed.
Beschrijving
Een boer werd altijd begeleid door een hond wanneer hij 's avonds naar het dorp ging. Die hond deed echter niemand kwaad.
Bron
O. Mattheeuws, Leuven, s.d.
Commentaar
1.4 Luchtgeesten
west-vlaams (grens oost- en zeeuws-vlaanderen)
123
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Sijsele   
