Hoofdtekst
Ze zeien overtijd dat dat een betoveringe was. ’t Schijnt dat die personen die van de mare bereen waren op een zeker moment nie meer wisten waar da ze waren. Ze liepen verdoold. Ik heb ’t geval tegengekomen. ‘k Wiste nie mee op wuk een bane dat ik was en pertank (nochtans) een bane dat ik alle weke twee tot drie keren deien. ‘k Was aan de Canadien en ‘k kwam van een toernee van Poelkapelle en ‘k hadde geern nog naar Langemark geweest en ‘k wiste nie wukke route dat ‘k moste pakken om in te slaan. ‘k Was helegans weg! ‘k Zijn toen binnengegaan in den café op den hoek, ’t is in de jaren twintig, en ‘k vroegen al (langs) waar dat ‘k naar Langemark moste. Dien baas kende mij en je zei: "Maar Jules, da zeg je toch voor te lachen zeker”? ‘k Zeggen: "Zo war of dat ‘k hier staan, ‘k wete ’t nie”! ‘k Keerde ossan (altijd) were van waar da’k kwam. Da ging toen over achter een ende.
Beschrijving
Mensen die door de maar werden bereden, raakten verdwaald. Een man die van Poelkapelle naar Langemark ging, raakte verdwaald, hoewel hij die weg wel twee of drie keer per week aflegde. De man ging binnen in een café om er de weg te vragen. De cafébaas die de man goed kende, sprak lachend: "Maar dat vraag je nu zeker toch wel voor de grap!"
Bron
K. Erard, Leuven, 1966
Commentaar
1.5 Plaaggeesten
west-vlaams (ieper)
5
1920-1929
memoraat
Naam Locatie in Tekst
Ieper   
Plaats van Handelen
Langemark   
Poelkapelle   
