Hoofdtekst
Z’hebben nog in Triebeltrote geweest, de rode ventjes. Ze moesten ze daar werk geven voor ze kwijt te geraken. Ze goten lijnzaad in een houtvumme, maar in geen tijd was ’t gedaan. Ton goten ze keiremelk en zoetemelk tegare. Dat kosten zij niet scheiden en ze moesten vluchten; Ze hadden zieder een eigen bestuur en wierden gecommandeerd van één van ulder mannen.
Beschrijving
Op een boerderij in Triebeltrote zaten rode mannetjes. Om de mannetjes kwijt te raken, moest men hen werk geven. Men goot een zak lijnzaad in een houtmijt, maar in een mum van tijd hadden de mannetjes al het lijnzaad weer in de zak gegooid. Toen men karnemelk bij zoete melk goot en de mannetjes de opdracht gaf de twee soorten melk te scheiden, moesten ze vluchten. De rode mannetjes hadden een eigen bestuur en kregen opdrachten van één van hun soortgenoten.
Bron
W. Van Houcke, Leuven, 1970
Commentaar
1.2 Aardgeesten
west-vlaams (houtland)
56
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Aartrijke   
Plaats van Handelen
Triebeltrote   
