Hoofdtekst
In een klein dorpje in katholiek Brabant was eens een kerkje met een hele ambitieuze pastoor. Nu is een kerk pas echt belangrijk, als er zich een echte relikwie bevindt. Dat mag een spijker van het kruis zijn, maar een vingerkootje van een gewone heilige is natuurlijk ook goed. Omdat de kerk zoiets niet bezat, stuurde de pastoor een jonge kapelaan naar Italië met de jaaropbrengst van de collecte en de opdracht, voor dat geld een mooie maar vooral echte relikwie te bemachtigen.
Monter en vol goede moed vertrok de kapelaan naar Rome, waar hij zijn intrek nam in een eenvoudig pensionnetje. Naast dat pensionnetje was echter een bordeel gevestigd, en ondanks zijn goede en vrome bedoelingen bezweek de kapelaan al snel voor de verleidingen van een mooie donkerharige vrouw. Met haar bracht hij de volgende drie weken door in zonde. Aan het eind van die drie weken echter, realiseerde hij zich, dat hij meneer pastoor straks onder ogen zou moeten komen met een pijnlijke bekentenis, een lege portemonnee en zonder relikwie.
Aan de vrouw, die vroeg wat hem ineens mankeerde, vertelde hij beschaamd zijn verhaal. Daarop pakte ze een schaar, knipte een stevige dot schaamhaar af en deed die in een envelop.
"Alsjeblieft," zei ze, "Een echte pluk uit de baard van Petrus."
Aarzelend nam de kapelaan de envelop in ontvangst, kuste haar nog eens en vertrok huiswaarts.
De pastoor, vol vertrouwen in zijn kapelaan, nam de envelop verheugd in ontvangst.
Ongerust zag de kapelaan, hoe meneer pastoor de envelop opende, zijn neus erin stak en verklaarde: "Hoe bestaat het. Je kunt nu nog steeds ruiken dat Petrus visser is geweest."
(Via email vanuit Amsterdam verzonden op 8 september 1999)
Monter en vol goede moed vertrok de kapelaan naar Rome, waar hij zijn intrek nam in een eenvoudig pensionnetje. Naast dat pensionnetje was echter een bordeel gevestigd, en ondanks zijn goede en vrome bedoelingen bezweek de kapelaan al snel voor de verleidingen van een mooie donkerharige vrouw. Met haar bracht hij de volgende drie weken door in zonde. Aan het eind van die drie weken echter, realiseerde hij zich, dat hij meneer pastoor straks onder ogen zou moeten komen met een pijnlijke bekentenis, een lege portemonnee en zonder relikwie.
Aan de vrouw, die vroeg wat hem ineens mankeerde, vertelde hij beschaamd zijn verhaal. Daarop pakte ze een schaar, knipte een stevige dot schaamhaar af en deed die in een envelop.
"Alsjeblieft," zei ze, "Een echte pluk uit de baard van Petrus."
Aarzelend nam de kapelaan de envelop in ontvangst, kuste haar nog eens en vertrok huiswaarts.
De pastoor, vol vertrouwen in zijn kapelaan, nam de envelop verheugd in ontvangst.
Ongerust zag de kapelaan, hoe meneer pastoor de envelop opende, zijn neus erin stak en verklaarde: "Hoe bestaat het. Je kunt nu nog steeds ruiken dat Petrus visser is geweest."
(Via email vanuit Amsterdam verzonden op 8 september 1999)
Beschrijving
De pastoor stuurt zijn kapelaan erop uit om een relikwie te vinden. Te Rome vergooit de kapelaan al zijn geld aan een prostituée, maar zij geeft hem een relikwie mee. Een pluk schaamhaar moet doorgaan voor de baard van Petrus. De pastoor gelooft het en vindt dat je nog steeds kan ruiken dat Petrus een visser was.
Bron
email doorgestuurd op 8-9-1999
Commentaar
8 september 1999
Naam Overig in Tekst
Petrus   
Naam Locatie in Tekst
Brabant   
Italië   
Rome   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
