Hoofdtekst
Beschrijving
Een man ging voor zijn zwak kind op bedevaart naar een plaats ten noorden van Kasteelbrakel. Daar legde men het hemdje van het kind in een waterput. Aan de zijde waar het kindje zwak was, zou het hemdje ondergaan.
De man was samen met twee andere mensen 's avonds op bedevaart vertrokken om 's morgens aan te komen. Om middernacht moest het drietal door het Hallerbos. Daar hoorde men plots lawaai en gezang. Dat waren de toveressen die naar Keulen gingen. Toen de mensen na afloop van de bedevaart weer naar huis gingen, hoorden ze geen vreemde geluiden in dat bos.
De man was samen met twee andere mensen 's avonds op bedevaart vertrokken om 's morgens aan te komen. Om middernacht moest het drietal door het Hallerbos. Daar hoorde men plots lawaai en gezang. Dat waren de toveressen die naar Keulen gingen. Toen de mensen na afloop van de bedevaart weer naar huis gingen, hoorden ze geen vreemde geluiden in dat bos.
Bron
M.-J. Deraemaeker, Leuven, 1977
Commentaar
2.1 Heksen
brabants (zuid-west)
12M
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Hallerbos (op de weg naar Kasteelbrakel)   
Naam Locatie in Tekst
Beert   
Plaats van Handelen
Kasteelbrakel   
Hallerbos   
Keulen   

