Hoofdtekst
In datzelfde huis was dat een kleine boerderij en die boerderije, dat was lijk overal dat de menschen zelve kerenden (karnden) en nu ze kregen daar nooit geen butter meer, nu ze deien lijk al de menschen, ze gingen naar de paters. En vader Abt zei als ’t naaste keer lijk gereed was, komt mij toen halen. En vader abt is meegegaan en hij begoste zelve te keren, en hij heeft gekerend dat ’t zweet van hem liep. Maar toch kreeg hij butter en hij zei: “Als dat vromens komt, je meug ze nooit wegzenden zonder etwod, geef ze etwod, anders ’t is van heur dat ’t voortkomt”. Dat was een aardige vrouwe die eenzaam wunde in ’t bus en die boeken hadde.
Beschrijving
Op een boerderij waar men geen boter meer kon maken, ging men te rade bij de paters. Wanneer men op de boerderij boter ging karnen, moest men vader abt onmiddellijk laten komen. De geestelijke begon zelf te karnen tot de zweetdruppels van zijn gezicht rolden. Toen vader abt erin geslaagd was boter te karnen, zei hij: "De vrouw die hier soms komt, mag je nooit wegsturen zonder haar iets te geven. Anders kan zij ervoor zorgen dat jullie geen boter meer kunnen maken". De vrouw waar vader abt het over had, was een vreemde figuur die toverboeken bezat en op een afgelegen plaats in het bos woonde.
Bron
A.-M. Devynck, Leuven, 1965
Commentaar
2.1 Heksen
west-vlaams (franse grens)
433
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Haringe   
