Hoofdtekst
’t Ging hier een keer een mens achter melk in een slag (wegel) langs de kassei en ’t stond daar een balie (houten afsluiting) en as ze daar kwam ’t stonden daar 12 keersen, grote wè (hoor), in een reke (rij) op een 30 cm van mekaar. ’t Waren gelik keersen van een eerste kommunikant dat ze azo op den autaar (altaar) zetten. En ze doste (durfde) zij daar haast niet passeren en as ze bleef staan die keersen gingen al uit. En ze ging zij toch door en van as ze verder ging, die keersen brandden were. En ze ging binnen achter een pinte (halve liter) melk in die hofstee. En ze zegt tegen de boer ‘k zijn ik hier haast niet gegrocht (geraakt), ’t staat daar een gehele reke (rij) keersen voor de balie, en zegt de boer: ‘k heb ik dat nog niet gezien. Ewè, zegt ze, ga je eké (een keer) mee gaan kijken. En as ze werekeerden van die hofstee, voorbij die balie die keersen waren were in brande. En ’t was daar niemand bij of omtrent die ze aanstak. Vroeger dat gebeurde allemale wè (hoor), en da’s echt wè.
Beschrijving
Een vrouw die melk ging halen, zag op een houten afsluiting twaalf kaarsen op zo'n dertig centimeter afstand van elkaar staan. Toen de vrouw bang bleef staan, doofden de kaarsen. Zodra de vrouw voorbij de afsluiting was, begonnen de kaarsen weer te branden. De vrouw legde aan de boer uit wat ze had gezien. Daarop ging de boer samen met de vrouw naar de afsluiting kijken, waar de kaarsen nog steeds stonden te branden.
Bron
J. Aspeslagh, Leuven, 1958
Commentaar
1.3 Vuurgeesten
west-vlaams (kamerlingsambacht)
51
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Oostende   
