Hoofdtekst
Freed de Corte en Bel Vermeire gingen ’t senachts gaan vissen. Onze nu al lang gevist han en niets gevangen han zei Freed die hakkeldige (stotterde): "Me … me gaan werekeren. D’er … d’er en is geen bete." Ze vaardigen naar huis en wildigen uitstappen. Freed wildige uit da bootje stappen maar hij zat in ’t watre. "Gij stommerik," zei Bel, "past op, ‘k zal d’er kik eerst uitstappen" en hij viel ook in ’t watre. "’k He d’er een slecht gedacht van, me gaan naar huis Freed." Onderweg aan de doeninge (boerderij) van Pier den Boer op den dijk zagen ze een Eeffrouw staan: "Waar gaje naartoe?"Vroeg ze. "Ewel, naar huis", zeien ze. De Eeffrouwe zei ton (dan): "Doe mij een plezier en ge gaat alle twee gelukkig zijn." "Wa zoeme (zouden we) doen?" peinsdigen ze. "We gaan ’t affeturen (we zouden het wagen)." Ze gingen mee en de Eeffrouwe zei: "In da kasteel ligt mijn geluk, maar ‘k zou moeten de sleutel hen die in da kasteel ligt." Ze gingen mee die Eeffrouwe door nen langen onderaardse gang. Ze kwamen in nen keldre waar dat er nen koffer stond. Daarop lag er nen hond mee nen sleutel in zijn muile. De Eeffrouwe zei: "Oje (als ge) mij diene sleutel kunt geven, zult ge overlopen van geluk." Den hakkelare en den driftigen keken naar mallekaar. "Wa gaan we doen?" "We durven da niet doen Eeffrouwe, laat ons buiten." Ze mochten were naar eldren boot en onze thuis kwamen waren ze mestnat (doornat). Alle twee zijn ze uitgeteerd. En nu kunnen we nog zien waar dat ’t kasteel verzonken is. Aan de leegte (laagte) bij Pier den Boers es ’t mee heel zijnen rijkdom verzonken.
Onderwerp
SINSAG 0301C   
Beschrijving
Twee mannen die 's nachts aan het vissen waren, besloten terug naar huis te gaan omdat de vissen niet wilden bijten. Eén van de vissers wilde uit het bootje stappen, maar viel in het water. Daarop zei de andere: "Jij dommerik, ik zal eerst uitstappen!" Maar ook hij viel in het water. Op hun weg naar huis kwamen de vissers bij een boerderij een juffrouw tegen, die zei: "Doe mij een plezier en dan zullen jullie allebei gelukkig zijn. In dat kasteel ligt mijn geluk, maar ik heb de sleutel nodig om in dat kasteel te geraken". De twee vissers volgden de juffrouw door een lange onderaardse gang, die naar een kelder leidde, waar een koffer stond. Op die koffer lag een hond met een sleutel in zijn muil. De twee vissers durfden de sleutel echter niet uit de muil van het dier te nemen. Bij hun thuiskomst waren de vissers doornat. Na een tijdje waren de vissers allebei uitgemergeld. Later kon men nog steeds de plaats zien waar het kasteel verzonken was.
Bron
O. Mattheeuws, Leuven, 1963
Commentaar
4. Historische sagen
west-vlaams (grens oost- en zeeuws-vlaanderen)
470
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Knesselare   
