Hoofdtekst
Beschrijving
Een vrouw hoorde altijd lawaai in de muur wanneer ze in haar bed lag. De kast vloog omhoog en het stro vloog uit het bed. Een buurman die wilde helpen, hield de deur vast en zei: “Jamaar, jamaar! Waar zit dat spook?” De man moest de deur echter loslaten omdat ze altijd met grote kracht open en dicht sloeg.
Het kwam zelfs zover dat de pastoor met de veldwachter ter plaatse moest komen. De pastoor maakte een kruisteken en zei: “Gaan jullie maar voorop. Ik volg en neem alles op mij”. Daarna was het afgelopen met de spokerij. Maar de pastoor is gestorven op onverklaarbare wijze. Vóór zijn dood had de pastoor luid geschreeuwd. Wellicht was de geestelijke gestorven aan het kwaad dat hij op zich had genomen.
Het kwam zelfs zover dat de pastoor met de veldwachter ter plaatse moest komen. De pastoor maakte een kruisteken en zei: “Gaan jullie maar voorop. Ik volg en neem alles op mij”. Daarna was het afgelopen met de spokerij. Maar de pastoor is gestorven op onverklaarbare wijze. Vóór zijn dood had de pastoor luid geschreeuwd. Wellicht was de geestelijke gestorven aan het kwaad dat hij op zich had genomen.
Bron
F. Vandesype, Leuven, 1977
Commentaar
1.5 Plaaggeesten
brabants (zuid-west)
116A
Omstreeks 1917
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Kester   
