Hoofdtekst
M’n vrouwe as ze zij azo twintig, negentien jaar was, ze gaat zij hier in Oostende in den hof (stadspark) en ze vindt zij daar een boek die op de bank lag en ze pakte hem mee. Maar dat was nu een toverboek; “Let wel op wat ge leest”, stonder op ieder blad. Dat was zo’n een. Vergeten he, of dikkels (dikwijls) voor hem kwijt te zijn. Onze jongen had erin gelezen en je wierd uit ze (zijn) bedde gesmeten. Moeder heeft hem ton (dan) gedolven, niet verbrand he, je mag dat niet doen met zulke boeken.
Beschrijving
Een vrouw vond op een bank in het park van Oostende een toverboek. Op ieder blad stond de tekst: "Let wel op wat je leest!" Nadat de zoon van de vrouw in het boek had gelezen, werd hij uit zijn bed gegooid. De vrouw heeft het toverboek dan begraven. Verbranden mocht men zulke boeken immers niet.
Bron
J. Aspeslagh, Leuven, 1958
Commentaar
2.3 Toverboeken
west-vlaams (kamerlingsambacht)
276
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Oostende   
Plaats van Handelen
Oostende   
