Hoofdtekst
Nen boever gienk de zoaterdagoavend achter zien himde noa hus. Oenderweuge zat er een vintje langs de geskant. Je zei er een goêndag tegen; je zei nie were. Den boever zei ton: “Wel, ku’j nie were zeggen”. Je gienk voeort en kwam ton were. Oenderweug wierd ne achtervolgd deur ne groeoten zworten hoend. oet ne an ’t hof kwam, sproeng ne hoastig de poeorte binnen en sloeot ze. Oet ne an de peerdstol kwam hoeorde ne dien hond de poeorte opendoen. Je sloeot zeere de deure van de stal, kroeop in bedde. Dien hoend hèt lange an de staldeure stoan skarten (krabben) . ’s Nuchtends lag deen vint doeod in bedde.
Beschrijving
Een knecht die op een zaterdagavond naar huis ging om een schoon hemd te halen, zag onderweg een mannetje langs de kant zitten en zei: "Goedendag". Omdat het mannetje niet antwoordde, zei de knecht: "Wel, kan jij niets terugzeggen?" Toen de knecht later op de avond terug voorbij die plaats kwam, werd hij achtervolgd door een grote zwarte hond. De knecht haastte zich naar de boerderij en sloot de poort achter zich. Zodra de knecht bij de paardenstal was, hoorde hij hoe de hond de poort opendeed. Daarop sloot de man snel de deur van de stal en kroop in zijn bed. De hond heeft nog lang bij de deur van de stal staan krabben. De volgende ochtend lag de knecht dood in zijn bed.
Bron
R. Callens, Leuven, 1968
Commentaar
1.5 Plaaggeesten
west-vlaams (tielt en izegem)
82
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Sint-Baafs-Vijve   
