Hoofdtekst
E Duutsche schaper aa z’n boek loaten liggen. De koeier at da boek gevoen(den) en zat dorin te lezen. Je las zodoanig da ’t hof vul zat mè roa vintjes. De koeier las mo voart, je sloeg verschrikkelik an ’t zweten en ie noch de boer kosten die vintjes wegkriegen. De boer zag hem verplicht achter de schaper te goan. "Das nietent" zei de schaper, "vult e kir e vat mè liezoadjes." De boer vuldeh e vat mè liezoad en moest ze van de schaper in d’hoetvumme (houtmijt) smieten. De schaper pakteh e liezoadje en smeet het were in ’t vat. "Zo een, zo al", zeit ie. Al de vintjes rapten de zoadjes der uut en de boer was van de vintjes verlost.
Beschrijving
Een koewachter was beginnen lezen in een boek dat een Duitse schaper had achtergelaten. Even later zat de boerderij vol rode ventjes. De koewachter begon hevig te zweten omdat hij er niet in slaagde de ventjes weer te verjagen. Ten einde raad ging de boer de Duitse schaper halen. "Dat is niet erg", sprak de schaapherder, "giet eens een vat lijnzaad in de houtmijt". Toen men dat had gedaan, nam de schaapherder een zaadje uit de houtmijt en gooide het in het vat. Daarop sprak hij: "Zo één, zo allemaal". De rode mannetjes begonnen met het verzamelen van de zaadjes, waardoor de boer verlost was.
Bron
M.-R. Nijsters, Leuven, 1969
Commentaar
2.2 Tovenaars
west-vlaams (nw van houtland)
16.1
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Duitse schaper   
Naam Locatie in Tekst
Ettelgem   
