Hoofdtekst
Oh, van den nekker. Mijn moeder zaliger, m’hadden twaalve dertien jongens, ze ging zij altijd naar d’hofsteên, ’s nachts als er zwijns moesten jongen.En ze komt een keer thuis van Julien Lebbe’s, ’t was schone mane en ’t waren al wegels. Z’hoorde daar etwod. “’k Wisje (wie weet) en ist den nekker niet”, zei ze en ommekeer ’t was daar etwod aan de geskant, ’t was lijk een koe.’t Waren droeve (stoute) kartongs die dat deien, peis ik.
Beschrijving
Een vrouw kwam op een nacht terug van een boerderij waar ze had geholpen met de geboorte van een nest biggen. Onderweg hoorde de vrouw plots een geluid en dacht onmiddellijk aan de nekker. Langs de kant van de weg zag de vrouw iets staan dat leek op een koe. Wellicht waren het gewoon enkele stoute paardenknechten geweest, die de vrouw de stuipen op het lijf hadden willen jagen.
Bron
A.-M. Devynck, Leuven, 1965
Commentaar
1.1 Watergeesten
west-vlaams (franse grens)
29
Moeder van de informant
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Haringe   
