Hoofdtekst
Pette en zijn schoonbroere zaten hier in ’t bus om berk, om bezems te maken, te snien. En iedere keer dat ze grepen wos ’t weg. En ommèkeer Pette zegt tegen Peetje Oom: "We gon hier e bitje rusten." En van met datten dat zegt, ze zaten in ’t hotel wijn en drinken. Van met dat Pette zei: "God zegen je," ’t wos weg en ze zaten in e braamhut in ’t bus. En Pette ging toen met zijn glas nor die madame wiens name dat er stoend up ’t glas en ze loog het of. En ’t wos pertang dor dat ze wunde in Ieper. Dat wos wor gebeurd wè. Pette wos e christelijken vint wè. Dat wos gebeurd in ’t bus van Houthulst.
Onderwerp
SINSAG 0502 - Der goldene (silberne) Becher.   
Beschrijving
Twee mannen zaten in het bos van Houthulst om berkenhout af te snijden. Met dat hout maaken ze bezems. Iedere keer wanneer de mannen naar het hout grepen, was het verdwenen. Toen de mannen besloten even uit te rusten, bevonden ze zich plots in een hotel waar wijn werd geschonken. Zodra één van de mannen zei: "God zegen je", was het hele tafereel verdwenen en zaten de mannen in een braamhut in het bos. De beker die was achtergebleven, behoorde toe aan een dame uit Ieper. Toen één van die mannen de beker ging terugbrengen, ontkende de vrouw dat het voorwerp van haar was.
Bron
S. Top, Leuven, 1964
Commentaar
2.1 Heksen
west-vlaams (vrijbos)
49F
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Houthulst   
Plaats van Handelen
Ieper   
Houthulst   
