Hoofdtekst
De kabouters en het brood.Hier nie ver af ligt er een blokske land en de kinderen dierven da nie opkommen, want d’r werd verteld dat da kabouterkes op waren.Op ne kiër was er daar nen boer bezig zijn land om te rijn en de kabouterkes waren aan ’t ruzie maken. En as hem kiërde lag daar een pale – zuë iëne waar de bakkers hun bruëd mee in den oven staken – en tegen as hij terugkwam lag er een briefke, daar stond op te lezen: “Geef ons ne nagel en nen hamer.” Dien boer dee die nagel en dien hamer daar en as hem terugkwam was de pale weg en den hamer lag da nog. Dien boer ree vurt verder zijn land om en nadien lag daar een bruëd op de plaatse waar die pale gelegen had. Maar dien boer betrade da nie giël ver en hij gaf zijn hondje da nen brok van en dien hond is gaan luëpen en z’hemmen hem valeven e mier gezien.Dien akker noemden ze de “Smeirberg” (plaatsnaam) daar waren schuëne brambeeren maar de kinderen dierven ze nie gaan aftrekken.
Beschrijving
Op de Smeirberg in de buurt van Zele lag een veld waar de kinderen niet durfden te komen omdat men vertelde dat er kaboutertjes zaten. Daar groeiden mooie braambessen, maar de kinderen durfden de vruchten niet aan te raken. Op een dag was een boer op dat veld aan het werk. Toen de boer eventjes weg was geweest, zag hij bij zijn terugkeer een briefje op een paal steken. Op dat briefje stond geschreven: “Geef ons een nagel en een hamer”. De boer verschafte het gevraagde. Daarna stelde hij vast dat de paal was verdwenen en dat er een brood in de plaats lag. De boer gaf zijn hond een stuk van het brood te eten. Het dier is dan weggelopen en men heeft het nooit meer weergezien.
Bron
V. Van Onsem, Leuven, 1967
Commentaar
1.2 Aardgeesten
oost-vlaams (waasland en dendermonde)
8
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Zele   
Plaats van Handelen
Zele   
Smeirberg (Zele)   
