Hoofdtekst
Bij ons in de stal, en wij hadden een paard, en 's nachts begon het te springen en te duvelen. Ik kwam uit mijn bed, maar ik zag niets; ik gaf het een spieës (portie) haver en hij at dat razig op, zo dwaas. Ge zaagt dat beest was vervè (bang), het zag altijd om naar achter. Ik zag niets. Zag dat pjèd nu iets? En den ene keer was dat in de morgen dat dat gebeurde, en dan was aan 't pjèd geen houden meer. 't Zat vol schrik. En we hadden klein meutekes (kalveren) staan en die hadden zakpijn (buikpijn). Mijne nonkel zei: 'Dat is toverij, daar moet ge voor naar Bornem naar 't klooster gaan en eer zult ge daar niet afgeraken. Maar ge moogt er niet alleen naar toe gaan.' Gewoonlijk gingen we alleen, het was anderhalf uur ver. 'Ik ga toch alleen,' zeg ik, 'ik heb van niets schrik.' 'Ge moogt niet, ge moogt niet.' 'Jawel', zei'k. Onderweg ben ik niets tegengekomen als ne pater van ginder. Ik kwam ginder en brood en water werd gewijd en dat moesten we aan de beesten geven. En ik moest mijne stal afbreken en naar 't kerkhof grond halen en daar moest ik een kruis mee maken en daarop de nieuwe stal maken. En ik heb dat dan gedaan, en ik heb niets meer gehad, aan 't pjèd niet en aan de meutekes niet.
Beschrijving
Bij een boer uit Ruisbroek begon het paard tegen de ochtend wild rond te springen. De boer stond op, maar zag niets vreemds in de stal. Het paard keek naar achter alsof het daar iets angstaanjagends zag.
De kalveren van de boer hadden balgpijn. Op aanraden van zijn oom ging de boer te voet naar het klooster van Bornem om de toverij onder controle te krijgen. De boer mocht niet alleen gaan, maar hij deed het toch. De boer kreeg gewijd water en brood om aan de dieren te geven. Hij moest zijn stal afbreken en op het kerkhof aarde gaan halen. Die aarde moest hij in de vorm van een kruis leggen en daarop een nieuwe stal bouwen. De boer volgde de raad op en had geen problemen meer.
De kalveren van de boer hadden balgpijn. Op aanraden van zijn oom ging de boer te voet naar het klooster van Bornem om de toverij onder controle te krijgen. De boer mocht niet alleen gaan, maar hij deed het toch. De boer kreeg gewijd water en brood om aan de dieren te geven. Hij moest zijn stal afbreken en op het kerkhof aarde gaan halen. Die aarde moest hij in de vorm van een kruis leggen en daarop een nieuwe stal bouwen. De boer volgde de raad op en had geen problemen meer.
Bron
L. Smets, Leuven, 1963
Commentaar
antwerps (rupelstreek en omgeving)
369
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Bornem (paters van)   
paters van Bornem   
Naam Locatie in Tekst
Ruisbroek   
Plaats van Handelen
Ruisbroek   
Bornem   
