Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

HSCHO0470_0471_11118

Een sage (mondeling), 1995-09-6 1995-09-6 (foutieve datum)

Hoofdtekst

I Wat heel veel ‘läöi’ me zeggen, zelfs ‘mansläöi’ eigenlijk, sommigen zeggen dan: "Ja, vroeger, wij durfden niet alleen buiten gaan. Ook niet als man. Ja, en dan lachen ze met je, hé. Dan was het van: "Jij bent een man en …"33 Jij durft dat nog niet.I Die dachten dat in ieder wegske, dat daar een spook zat of zo. Dat zeiden ze altijd van die wegskes.33 Dat zeiden ze, hé. Die gangskes in. D’r waren vroeger gangskes ‘alle kaante’, hé. Want mijn grotepa, die ging altijd ‘túússe’ (= kaarten) bij Vrundt daarachter. Hier door het steegske langs de boerderij van Toone hier op. En dan het ‘gètske’ (= wegeltje) daar. En dan kwam hij ‘jòues’, dikwijls laat. Ja, dan hadden ze wat gedronken. Met Kruske was dat, het oude Kruske hier. Ik weet niet of ge dat kent: Haekens? En m’n grotepa en de oude meester, Reggers, en nog iemand. Ik weet niet meer wie? De oude Vrundt wat daar woonde. Dat was een schrijnwerker. Weet ge waar ze woonden?I Nee.33 Het huiske is nog ingestort verleden. En Matjúú van Pouke (= Mathieu Jongen -Moermans, Visésteenweg 171) heeft dat stukske gekocht en heeft daar allemaal bomen gezet en planten. Een soort boske. En daar woonden die. En daar gingen ze ‘túússe’. En dan zei ma dikwijls: "Pa, hebt ge daar niks gezien in het gangske?" "Wat zouden we zien?" zei hij. [lacht] "We zijn maar over ons ‘túúskoate’ aan het ‘kalle’." Dus die ook niet. En ma vroeg dat dan: "Hebt ge niks gezien daar? Komt ge daar nooit geen spook of niks tegen?" "Nee," zei hij. [lacht] Zo. Ik kan daar niks niet veel van zeggen. Wel, dat ik dat hoorde …I Vertellen.33 ‘Kalle’ (= praten) daarover, hé. Maar eigenlijk bij ons in het huis werd nooit … juist bij grootmoeder daar van die dinge, die dwaallichtjes, zal ik maar zeggen. Zielkes, zielkes die niet naar de hemel kunnen, die nog in het vagevuur zitten. En maar bidden en maar … Ja, en die maar, met het wijwater met het palmtakje wat gewijd was dan op Palmzondag.I Hoe noemde ge dat wegske? Dat wegske.33 Het wegske, zeiden ze. Ja, het wegske. Hoe heet dat nu?I Nee, maar ge zei daar een naam op en ik kende die naam niet. Zo’n bijnaam in het dialect.33 Het ‘gètske’, zeiden ze.I Oh, het wegske.33 Het ‘gètske’ hier .I Het ‘gètske’, oh.33 Langs Toone op. Het is nog, hé. Het bestaat nog.I Ja, maar ik ken het.33 Ik ga daar altijd … Als ik naar het kerkhof ga, ga ik daar door, hé. Niet ’s avonds, hé! Dat durf ik ook niet. Niet voor de spoken of iets, maar dan doe ik dat toch liever niet. Je weet nooit, hé. ‘Dèk’ (= dikwijls) maar een ‘gamé’ (= jongen) voor je bang te maken, hé. Dat doe ik nooit. Maar ik ga daar altijd door.

Onderwerp

SINSAG 0182 - Wiedergänger als Irrlicht    SINSAG 0182 - Wiedergänger als Irrlicht   

Beschrijving

Een vrouw bad altijd voor de dwaallichtjes. Dat waren zieltjes die nog in het vagevuur zaten en naar de hemel wilden gaan. De vrouw liet op Palmzondag een palmtakje wijden.

Bron

H. Schoefs, Leuven, 1996

Commentaar

1.3 Vuurgeesten
limburgs (groot-riemst)
33M 470
Grootouders van de informant
fabulaat

Naam Overig in Tekst

Palmzondag    Palmzondag   

Naam Locatie in Tekst

Zichen-Zussen-Bolder    Zichen-Zussen-Bolder