Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

STOP0206_0209_21166

Een sage (mondeling), 1964

Hoofdtekst

Bakelandt vertoefde in ’t Vrijbus. Mor met hoevele dat ze zieder inzaten in die bende, dat weet’k ik niet meer wè! ‘k Weet ik wel dat er dor e vromens bij wos, die moste bewaken. ‘k Eén ik vader oltijd horen vertellen dat er dor etwor e boerhof up de Vuufwege wos wor dat ze zein dat er riek volk wos. Dat wos an Bakelandts oren gekommen. En ’t woren dor twee zeuns die up e zekere keer nor de peerdekoersen geweest woren nor Langemark. En Bakelandt wos dor vaneigen ook enn’had hij die kerels oefgespioend. Enn’had hij nu die kerels bezighoeden toet late in den avond. En die twee mosten ol deur ’t Vrijbus nor huus kommen met ulder peerd. Mor nu omdat die joenkheiden zolange wegworen, die oeders woren oentrouwig en z’hadden de domestiek achtergezonden. Zo je moste ook ol deur de dreve van ’t Vrijbus gon enee. En die bandieten van Bakelandt zaten verscholen tegen dat die twee gingen ofkommen met ulder peerden van Langemark. En z’an geropen "halt!" mor dien domestiek an ze vermord en z’an in de middel van de roete geleid met èn hoop lovers gedekt. Ja, ol zukke deugniettrekken zaten er dor in enee. Zo, o die twee gebroers nor huus kwamen met ulder peerden, den een wilde niet meer vooruut en dat peerd arreteerde. Dat wos helledoenker. Dien enen wos e Naas. Ja, enee, Naas wos den dien die voren up wos. Zo, den een zegt tegen den andern: "Dat peerd wilt hier niet meer vooruut. ‘k Gon ik e keer ofspringen." Den andern riep: "Let up, want me zijn hier in ’t bus!" Naas springt of en van o Naas ofspringt die bandieten hadden hem vaste. En van o de broere dat geware wos, ne pakte zijn peerd enne liep were nor Langemark. En ’t wos dor èn herberge wor dat ’t nog open wos enne vertelde dat zijn broere in d’handen van Bakelandt zat. Zo vaneigen den dien, die Naas, wos geboenden en nor de speloenke geleed. Dat is ollemale van horen vertellen van mijn vader. Ze zein tegen hem datten ging meugen nor huus gon otten zei wor dat ulder geld zat up dat boerhof. Zo je dei dat ol uuten om losgelaten te zijn. Nu, z’an hem geblenddoekt up èn avond dat ze peinsden van nor huus te gon. Mor ze gingen e vreemde, e volschge weug up. En Naas wos dat geware enne zei: "Je gaat gieder nor mijn huus niet", en je trikkelde (trok) tegen en ze schoten hem dood. En ze gingen toen up èn avond gon nor dat boerhof mor ze woren dor met Onzen Here. Dien oede vader had dor vaneigen e ziekte van haald. Zo Bakelandt zegt tegen die kerels: "Me gon’t moeten werezetten, want ze zijn dor met Onzen Here." Zo, dat volk van dat hof had vaneigen anklacht gedon. Zo de schoet, de burgemeester van Rozebeke, had gendarmes doen kommen om heel ’t Vrijbus of te zetten en of te zoeken. Mor vader vertelde dat Bakelandt nog juuste tijd hadde om in èn uutgemulderden (uitgeholde) boom te krupen. En de gendarmes an voorbij hem gepasseerd. Ja, en intusschentijd je wiste hij dat dat van de schoet wos dat z’angeklaagd woren. Mor toch één ze zieder dor binnengeweest en één ze de schoet uphangen in de kave (schouw) van zijn eigen huus die voor den oorloge van veertiene de gendarmerie wos. En Bakelandt kommandeerde dat ze gildig vier mosten maken. En ’t wos een van dat volk die zei: "Dat vier wil niet branden." En Bakelandt zei: "Gerokt vlees is ook goed." Z’één hem toen nog kunnen verlossen mor hoe, ‘k wete dat niet juuste meer. En de schoet doste dor niet meer weunen enn’is toen nor Brugge gon weunen omdatten peinsde datten dor uut d’handen en uut d’ogen van Bakelandt ging zijn. Mor Bakelandt wiste datte wor dat de schoet nortoe wos. En up zekern dag Bakelandt wos in èn here gekleed en je belde dor bij de schoet. Zo je wos dor binnengelaten omdat ’t zuk èn here wos en je vroeg achter menere de schoet. En je wos up de bureau van de schoet binnengelaten. En je zei tegen de schoet: "Weet je wel wie dat er hier voor je staat?" "’t Is ik", zegten, "die Bakelandt ben." En zeiten tegen de schoet: "’k Ga je nu gerust laten mor van o dat ‘k horen dat je Bakelandt naamt, je zijt d’eran." "Je zijt gevlucht van mij", zegten, "mor me weten toch wor daj zijt."

Onderwerp

SINSAG 1320 - Andere Räubergeschichten.    SINSAG 1320 - Andere Räubergeschichten.   

Beschrijving

Bakelandt vertoefde in het Vrijbos. Bij de bende was een vrouw die de wacht moest houden.
Op een dag was Bakelandt te weten gekomen dat er op een boerderij bij de Vuufwege rijke mensen woonden. Twee zonen van die boer kwamen op zekere dag te paard terug van de paardenrennen in Langemark. Omdat de mannen 's avonds laat alleen door het Vrijbos naar huis moesten komen, zonden hun bezorgde ouders een knecht naar het bos om hen te begeleiden. De rovers van Bakelandt zaten langs de kant van de weg te wachten tot de twee boerenzonen zouden voorbijkomen. Toen ze de knecht zagen aankomen, vermoordden ze hem en legden zijn lijk onder het gebladerte in het midden van de weg. Een tijdje later kwamen de twee broers op die plaats. Eén van de paarden wilden niet meer vooruit, waardoor de man van zijn paard sprong. De man stond nog maar net op de grond, of de rovers van Bakelandt grepen hem al vast. De man werd meegevoerd naar de spelonk van de rovers. Zijn broer haastte zich naar een herberg om hulp te halen. De rovers beloofden hun gijzelaar de vrijheid als hij zou vertellen waar het geld op de boerderij werd bewaard. Toen de man dat had gezegd, werd hij geblinddoekt en sloeg men met hem een weggetje in. Daarop zei de man: "Dat is de weg naar mijn huis niet!" Het volgende ogenblik schoten de rovers hem dood.
Op een avond trok de bende van Bakelandt naar die boerderij. De boer was echter doodziek en Bakelandt zag dat de pastoor hem de Laatste Sacramenten kwam toedienen.
Op een dag lieten de schout en de burgemeester van Rozebeke het hele Vrijbos uitkammen door de politie. Bakelandt had nog net de tijd om in een uitgeholde boom te kruipen. Hij hoorde dat de schout hem had aangeklaagd. Daarna pleegde de bendeleider een inbraak bij de schout. De arme man werd in de schoorsteen van zijn huis opgehangen. Vervolgens gaf Bakelandt zijn kompanen de opdracht het vuur aan te steken. Toen het vuur niet wilde branden, zei Bakelandt: "Dat is niet erg. Gerookt vlees is ook goed". Na de overval heeft men de schout uit zijn hachelijke positie kunnen bevrijden. De man durfde niet meer in zijn huis te blijven wonen en verhuisde naar Brugge. Op zekere dag belde Bakelandt gekleed aan bij de schout in Brugge. Omdat hij gekleed was als een heer, werd hij binnengelaten en naar het kantoor van de schout gebracht. Daar sprak de rover tot de schout: "Weet je wel wie er hier voor je neus staat? Ik ben het, Bakelandt. We zullen je met rust laten, maar als je mijn naam durft te noemen, dan ga je eraan. Je bent voor mij gevlucht, maar wij weten je wel te vinden".

Bron

S. Top, Leuven, 1964

Commentaar

4. Historische sagen
west-vlaams (vrijbos)
112A
Vader van de informant
fabulaat

Naam Overig in Tekst

Naas
Bakelandt

Laatste Sacramenten    Laatste Sacramenten   

Bakelandt (bende van)    Bakelandt (bende van)   

bende van Bakelandt    bende van Bakelandt   

Naam Locatie in Tekst

Westrozebeke    Westrozebeke   

Plaats van Handelen

Vuufwege    Vuufwege   

Rozebeke    Rozebeke   

Langemark    Langemark   

Brugge    Brugge   

Vrijbos    Vrijbos