Hoofdtekst
's Avonds om een uur of ach(t) ging ich met mij broer naar de keremes. Opeens komt doa iet langs mich op wei enen olifant, zo zwaar trièdde (= trad) dat, langs de haag. Ich dors(t) niks zeggen tegen mij broer en ich dors(t) nie stampen, ich zag nie wa het zjus was - ene gees(t) ziet zje nie! - en dat bleef zo en wij gingen maar door, en dat ging vanzelf weg. Toen doa op de keremes wa(t) (ge)bleven... Wij kwamen terug om een uur of twalef en het rengelde ( = regende) en het waaide, en we letten op, en toen zagen we doa op d'eigeste plak (= dezelfde plaats) e papier liggen, zo opeen gefroemeld, en ich hoorde zo een aardig (= vreemd) gepiep en wei (= toen) we door waren waaide dat papier a(ch)ter mijn vassen (= hielen) en da kwam zo maar tegen mijn vassen.
Onderwerp
SINSAG 0478 - Andere Erlebnisse; unbeschreibbare Spukerscheinungen.   
Beschrijving
Een jongeman die omstreeks acht uur met zijn broer naar de kermis ging, werd onderweg opgeschrikt door een vreemd geluid. Het leek wel alsof er een olifant achter de haag liep. Er was echter niets te zien. Toen het tweetal rond middernacht terugkwam, regende en waaide het erg. Op de plaats waar ze enkele uren eerder het vreemde geluid hadden gehoord, zagen de jongens een verfrommeld papier op de weg liggen. Toen ze er voorbijliepen, sloeg het papier tegen hun hielen.
Bron
M. Dreezen, Leuven, 1967
Commentaar
1.5 Plaaggeesten
limburgs (tongeren en omstreken)
274
memoraat
Naam Locatie in Tekst
Henis   
