Hoofdtekst
Toen Sint-Romboutstoren gebouwd was kwamen ze tot de vaststelling dat de kerk niet op haar plaats stond, maar ze was nu gebouwd en daarmee was er niets anders aan te doen dan haar te verschuiven. Al de metsers aan de ene kant en aan 't duwen. Als ze zo een tijd bezig waren ging er ene kijken hoeveel z'al vooruit waren gekomen, maar daar was niets van te zien. "Wacht," zegt hij, "ik ga daar een eindeke verder aan de andere kant mijne frak leggen. Dan zullen we toch iets zien." Hij zijne frak uitgespeeld en daar gelegd en terug mee aan 't duwen. Ondertussen komt er daar een bedelaar voorbij en die ziet die frak liggen en schart hem natuurlijk mee. De mannen voort aan 't duwen en op een gegeven moment zegt die ene: "'k Ga toch eens kijken hoeveel we nu vooruit geraakt zijn." Hij naar den andere kant en van als hij daar komt, horen de anderen hem roepen: "Stopt manne, stopt, want mijne frak zit er al onder."
Beschrijving
Toen de Sint-Romboutstoren werd gebouwd, stelde men vast dat de kerk niet op de goede plaats stond. Er zat niets anders op dan de kerk te verschuiven. De metselaars begonnen tegen de muur te duwen. Na een tijdje ging iemand kijken hoe ver ze al waren opgeschoten. Er was echter niets te zien, waarop de man zei: "Ik trek mijn jas uit en leg hem hier, zodat we kunnen zien hoe ver we al zijn opgeschoten". De metselaars begonnen weer te duwen. Intussen kwam er een bedelaar voorbij, die de jas zag liggen en het kledingstuk meenam. Even later ging de man opnieuw kijken. Toen hij aan de andere kant van het gebouw stond, riep hij: "Stop mannen, want mijn jas zit er al onder!"
Bron
L. De Wit, Leuven, 1956
Commentaar
4. Historische sagen
antwerps (mechelen en omgeving)
379
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Sint-Romboutskerk   
Naam Locatie in Tekst
Mechelen   
