Hoofdtekst
’t Was hier ip ’n boerenhof. Ze’n kosten geen beuter meer keernen. De kuipe van de melk krioelde van de aalputbeesten. Ze mosten ’n stutte (boterham) van ’t brood sniên, en ’t vielen aalputbeesten uit. Ze ginge achter nen toverare. Ie kwam mee en ie zei: "’k Ga ne steen uithalen uit de sliet." Ie dee’t, en ’t zaten daar van ieder koe ’n bolle haar in, van ol de koleuren van koeien. Z’hên z’in de stove gesmeten en die bollen schreemden (weenden). Z’hên nooit geen miserie meer g’had. Maar z’hên wa tegengekomen (beleefd). Ze’n mochten geen kalvers in ’t stal zetten, ze gingen ol verstieren.
Beschrijving
Op een boerderij in Wervik kon men geen boter meer karnen. De melkkuip krioelde van beestjes die uit de aalput kwamen. Wanneer men een boterham sneed, vielen er beestjes uit het brood. De mensen lieten een tovenaar komen, van wie ze de raad kregen om een steen uit de sliet (1) te halen. De boerin deed het en vond in de steen een bol haar van iedere koe. Toen ze de haarbollen in de kachel gooide, hoorde ze een geschreeuw. Daarna heeft men op die boerderij nooit meer ongeluk gehad.
Bron
G. Speecke, Leuven, 1959
Commentaar
2.2 Tovenaars
west-vlaams (menen en omstreken)
78
fabulaat
(1) sliet: afzonderlijk hok in de stal waaraan de kettingen van de koeien zijn vastgemaakt.
Naam Locatie in Tekst
Wervik   
Plaats van Handelen
Wervik   
