Hoofdtekst
Daar was er hier ooch eens ene die vrijde maar die jong die was toch nie recht just. En die gingen dan ooch eens naar de kermis in Wijchmaal. Door den duur ja, hij moest eens naar 't huiske en hij zegde: 'Ich moet hier achter de hult (gracht) m'n boks (broek) eens gaan afdoen, maar ge moet gene schrik hebben want u iet tegenkomt. Ich zal u dezen tesnuzzek (zakdoek) geven en dan gooide die maar.' Juzzes God en e minuteke daarna kwam mich daar nen hond door de hult op en zij gooide met de tesnuzzek maar ze rijerde (beven) op de benen van de schrik. En hij trok die tesnuzzek in fakkelen vaneen. Toen kwam hij mich terug uit de hult gekropen en hij had de fakkelen nog in zijn moel (muil) hangen. Dat was hij zelf geweest, dat was zo ne mens die kwaai dingen moest doen. Maar 't was afgelopen. 't Wicht liet hem schoon staan. Ze hadden al vier jaar gevrijd maar 't was afgelopen.
Onderwerp
SINSAG 0823 - Das zerbissene Tuch.   
Beschrijving
Een jongen die met zijn vriendin naar de kermis ging, sprak: "Ik moet even een boodschap doen. Mocht er ondertussen iets op je af komen, gooi dan deze zakdoek naar de verschijning". Even later kwam er inderdaad een hond aangelopen, die de zakdoek helemaal verscheurde. Toen de jongen terugkwam, zag het meisje dat hij de vezels van de zakdoek nog tussen zijn tanden had.
Bron
I. Kenens, Leuven, 1957
Commentaar
1.6 Weerwolven
limburgs (noord-west)
296
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Wijchmaal   
