Hoofdtekst
I -Ja, en waaraf zeiden ze dat?15 V -Ja, omdat ze altijd haring aten. En in Hillegem waren het de gesbuiken (grasbuiken, later herpakt de informante zich en zegt de juiste spotnaam, namelijk Lekkers) en dat was voor die koe, d’er stond ginder een koe hé en ze trokken die koe omhoog, (We gaan ze omhoog trekken,( zeiden ze “voor dat gras ginder af te eten”, en als ze ginder boven was begon die koe te lekken, “ja, ‘t is goed ze lekt al.”I -En de beest was dood?15 -Nee, nee, ze was nog niet dood. Nee, nee. En daarmee Hillegemse Lekkers. I -Ah, maar ik hed gehoord dat ze een koe opgetrokken ôn (hadden) met haar nek, een koord en dat ze het gras uit de goot van de kerk moest eten en dat tegen dat de beest boven was dat ze dood was en dat haar tong uit haar bek (muil) hing of zo.15 -Wel, ze at dat gras op en ze begon te lekken hé, ze stak haar tong uit “Ja, ‘t is goed ze lekt.” en daarvan hillegemse Lekkers.I -En de beest was niet dood?15 -Nee, allez ik weet ik toch van niets.I -Ah, want een madame had mij verteld dat haar tong uit haar bek (muil) hing, omdat dat ze versmoord was, met dat ze haar aan haar nek naar omhoog gerukt hebben.15 -Ja, dat is misschien mogelijk achterna, ‘t is mogelijk hé.
Beschrijving
De inwoners van Hillegem werden 'Lekkers' genoemd. Op een dag hadden ze namelijk met een touw een koe opgetrokken naar een dakgoot waarin gras groeide. De koe was dood toen ze boven kwam en liet haar tong uit haar muil hangen. Daarop zeiden de mensen: "Kijk, ze likt al!"
Bron
C. De Winne, Leuven, 1999
Commentaar
6. Sagen - Sprookjes
oost-vlaams (groot-zottegem)
15V
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Lekkers (inwoners van Hillegem)   
Naam Locatie in Tekst
Zottegem   
