Hoofdtekst
Mijn grootvader heeft ook een keer een waterduivel tegengekomen aan een duiker (= aquaduct). En dat was pertang (= nochtans) geen benauwden wè (hoor), mijn grootvader. En je was dood van de schrik. Die duivel sloeg met z’n steert altijd maar tegen z’n kieten (= kuiten). En j’hadde juiste gezeid datter een keer een zit, ‘k gaan hem wel vaste hebben. Maar ’t was hij die hem vaste hadde. En anders van niet benauwd he!
Beschrijving
Een dappere man die over een bruggetje liep, schrok zich haast dood toen een waterduivel met de staart tegen zijn benen sloeg. Vóór zijn vertrek had de man nog overmoedig gezegd: "Er zou er eens één moeten zitten; ik zou hem wel vast hebben!"
Bron
J. Aspeslagh, Leuven, 1958
Commentaar
1.1 Watergeesten
west-vlaams (kamerlingsambacht)
4
Grootvader van de informant
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Middelkerke   
