Hoofdtekst
4 Wel, dat verhaal, dus, een verhaal die typisch is voor Blankenberge is het verhaal van Roesschaert, hé. Dus, Roesschaert, dat is in feite de kwelduivel, zoals je zegt, wel, een typische watergeest. Het schijnt wel, dat gaat in het verhaal uitkomen, maar Roesschaert, het oorspronkelijk verhaal van Roesschaert vindt zijn oorsprong in, euh, ‘t is te zeggen, dat was een oud vrouwtje dat woonde in de duinen ten oosten van de stad Blankenberge.I Ja.4 Dus, de oostkant, hé.I Ja, waar de pier is en zo.4 Ongeveer waar nu - laat ons zeggen - de Duinse Polders1 is, waar je daar die Fonteintjes2 hebt.I Ah? Toch zo ver?4 ... In de duinen. In een zeer bouwvallige hut, hé, in een hut, hé, die bouwvallig was en waar, die niet geschilderd was, die stond op invallen, met een rieten dak. Dat is hetgene dat ze dan vertelden en die de legende is van Roesschaert, hé.I Ja.4 Enne, euh, in de jaren 1700, ja, en zoveel, moet er dus een grote storm geweest zijn die, je moet dat dan bekijken dat er nog geen bebouwing was en de kroniekschrijvers schrijven ook: "De zee - de baren waren te zien tot in Uitkerke." Dat de zee zo hoog kwam.I Jajaja.4 Zie je ‘t? [= Begrijp je?]En door die storm werd er veel schade aangericht, was dat huisje ineen gevallen.Zie je ‘t?Dat huisje was dus bouwvallig en door de wind en door de storm, ...I Jaja.4 En die vrouw, dus, dat oud vrouwtje werd beschouwd als een heks, en ‘s avonds en in het donker durfde er daar niemand langskomen en zelfs als ze overdag voorbijgingen sloegen ze een kruisteken, omdat ze zeiden, als je daar voorbijkwam, kon je dus die heks horen door die vrouw.I Ja.4 Nu, ze was bedolven onder dat puin en heel Blankenberge stond op stelten. Dat werd van man tot man doorverteld en heel Blankenberge stond op stelten en ze waren blij dat ze van die heks verlost waren.I Jaja.4 En ze gingen naar daar met schoppen en met alles dat erbij was, om dat puin op te ruimen, om die, om die... Om dat huis weg te doen en te delven. Maar als ze daar kwamen en als ze er wilden aan beginnen, kwam er plots een klein hondje vanonder dat puin. En als dat beest beroerd [= aangeraakt] werd, zei het: "Roes! Roes! Roes!" Roes, ja, ... En het liep weg en het vergrootte en het had een belletje aan zijn nek en dat was..., vandaar zeiden ze de naam Roesschaert, en van dan af werden de vissers, voornamelijk door de visserij, werden ze geplaagd door die kwelduivel. Dat is natuurlijk een legende, dat is een verzinsel, dat is in de geest van de mensen, doordat ze dus zodanig bijgelovig waren en zo dom. (verbetert zich) Niet dom, maar, maar, maar minder ontwikkeld en er was geen verlichting, het was stikdonker. En hetgeen ze niet konden verklaren, dat van God kwam, of van de duivel, het was het ene of het andere, was van de duivel of van een kwelgeest, hé.I Jaja.4 Als het niet te verklaren was, zeiden ze: "Het moet van dat zijn, [of] het moet van iets anders zijn."I Ja.4 Enne, die kwelgeest, als ze dus de vissers naar hun boot gingen, die dan op het strand lag, hij veranderde zich in iets die op de baan lag, en hij zwol op, en ze vielen erover.Of, hij veranderde zich in allerlei soorten van voorwerpen, of hij deed allerlei soorten van kwaad aan de mensen. Bijvoorbeeld, hij legde zich op de drempel als een klein kindje, en als ze het binnennamen, hij vergrootte ook en hij vergrootte en hij vluchtte naar buiten langs de achterdeur en hij lachte, hé.Ofwel ging hij mee in zee met de, met de bemanning en hij zette zich op de kant van het schip en hij verzwaarde ook, zodanig dat - pas op, hé, je moet dat allemaal in de verbeelding van die mensen...I Jaja.4 ... want in werkelijkheid is dat niet mogelijk - maar dat hij bijna kantelde.I Ja.4 En als kind zit je daarnaartoe te luisteren, hé, naar heel dat verhaal, hé. Je moet dat dan zo bekijken, hé.I Ja.4 Dat werd ook verteld. Enne, het enige dat hij niet kon, ... In de visserij zeiden ze over het algemeen, als ze dus iets vertelden: "In Gods naam!" werd er ook al veel gezegd, hé. En hij kon dat niet zeggen, hij zei altijd: "In Pots naam!" Zie je ‘t?I Ja.4 Dat kon hij niet uitspreken, Gods naam, de naam van God kon hij niet uitspreken en zo bijvoorbeeld, als een visser in zee ging en ze zetten de korre weg [= ze wierpen het net uit], zeiden ze altijd: "Aldoar goat ‘n gè!" Dus de korre: "Aldaar gaat hij!" om het in het Nederlands te zeggen, "Aldoar goat ‘n gè, in Gods noam!" zeiden ze, hé.I Ja.4 Of "Doe een keer dat, in Gods naam!" Dat kwam daar veel bij, en hij kon dat niet zeggen en daardoor wisten ze dat Roesschaert in de omgeving was, maar ze durfden er toch niets aan doen, want hij veranderde zich in een mens ook, hé.I Jaja.4 En dat was dan Roesschaert. Dus, het is een raar verhaal, maar het is zo.Enne, maar dan, ze zijn daar vanaf geraakt, als dat enkele jaren geduurd had, verschillende jaren, is er dus, opnieuw ten oosten van de stad, ongeveer in de omgeving van waar dat die hut gestaan had, een kluizenaar komen wonen.I Ja.4 Een oude vent, een kluizenaar. En die beweerde, dat was een overlezer, dat hij met zijn lezen, met een bepaald gebed te lezen, dat hij hen kon bezweren, dus bevrijden van Roesschaert, hé, verlossen, ‘k ga het zo zeggen. (I stemt in)Enne, nu, inderdaad, de vissers gingen daarnaartoe en als ze daar binnen kwamen, dat was ook een hut, een, een, een soort van een huisje dat daar stond en dat was nogal redelijk donker en dat was natuurlijk een beetje, euh, ingericht, zodanig dat de mensen onder de indruk waren, hé. Er stond daar een altaar, hé, een altaar.I Ja.4 ... met een groot lederen boek op, en een paar kaarsen, hé, zie je ‘t voor je?I Jaja.4 En moordpriemen staan er nog, zeiden ze, maar dat zijn dan dolken of zoiets, die aan de muur gekruist hingen.I Ja.4 Nu, in elk geval, hij las daar een soort gebed, en ze begonnen dan, en hij herdoopte ze dan, zoals ik gezegd had, met zeewater.I Ja.4 En van dan af, werden ze - maar ze kregen dan een andere naam, en die andere naam, dat was hun bijnaam.I Jajaja.4 Wacht, ‘k ga eens kijken, ‘k ken dat niet van buiten, maar ‘k heb dat wel ergens neergeschreven, dat was een bepaald vers. (4 gaat op zoek naar hetgeen hij heeft opgeschreven en de bandopname stopt)‘k Zeg het, ze - ‘k ga eerst een slokje koffie drinken, wè.I Ja, doe maar.4 Dus, hij herdoopte ze, maar hij herdoopte ze met een soort van toverformule.I Ja.4 En die toverformule bestond er daarin, dus, de oorspronkelijke versie was, maar dat is dan wel vervormd (zoekt), hier. Ja, dat is begonnen met de oudere vissers, maar later was dat dan met de "opblijvertjes", en wat is nu een opblijvertje? Een opblijvertje, vroeger in de visserij, dat waren jongens van elf, twaalf jaar, die juist hun plechtige communie gedaan hadden...I Ja.4 ... die moesten, als de schuit op het strand lag, voor het volgende tij. Dus, de visser ging slapen, en voor het volgende tij, de mensen hadden toen nog geen wekker of geen horloge of niks bij zich, gauw, toch geen wekker. Dan moesten die jongens voor die schuit zorgen. Ze zaten daar in dat ruim, [met] een kacheltje en als dat water opkwam - want de schuiten konden in, eh, varen als dat water weer teruggekomen was.I Jajaja.4 ... moesten zij dus, als de schuit, eh, het water, eh, een eind van de schuit was, dat ze zeiden: "Kijk, tegen [de tijd] dat we weer in ‘t steedje zijn, zal het bijna tijd zijn om de bemanning wakker te maken."I Ja.4 Dan liepen ze in, eh, in ‘t stad, dus, ‘t steedje van toen, naar de vissershuisjes, ze klopten op de deur en ze riepen: "Klaarmaken! Opstaan! ‘t Water is nog zeven meter of zeven vadem van de schuit!" Vadems, hé.I Ja. (bandopname stopt)4 Versta je ‘t? Dat hij moest opstaan en zich klaarmaken. Toen, wat had je opnieuw? Als dat Roesschaert was, die dat probeerde, wisten ze dat ze mochten blijven liggen, want deze kon niet zeggen: "In Gods naam!"I Jaja.4 Dus, als ze hoorden roepen, dus, boem-boem-boem (bootst het geluid van kloppen na) en hij zei: "Opstaan! Klaarmaken! ‘t Water is nog zeven vadem van de schuit, in Pots naam!" zeiden ze: "’t Is Roesschaert! Hij gaat ons niet ... [beetnemen, hoor]!" Dat is ook weer een vertelling die daarbij past.I Jajaja.4 Dus, die opblijvertjes, eh, werden later visser, en dat was dan, in de latere tijd werden zij dan ook herdoopt. Versta je ‘t? En de eerste formule dat hij uitsprak, dus, die overlezer, dat was, dus, als hij heel zijn ceremonie en zijn gebed gedaan had: "Ik doop U, en Roesschaert, die lelijkoard, kere zich om, rom-dom-dom, Uw naam is ..." En hij zei dan de naam, versta je ‘t, hé?I Jajaja.4 "Ik doop U, en Roesschaert, die lelijkoard, kere zich omme, romme-domme-domme, Uw naam is - bijvoorbeeld - eh, ‘Scharre’ [= Jozef Scharre], hé, of ‘Babet’ [= Lodewijk Falin], of ‘Korno’ [= Cornelis Huys]". Of al die naampjes die wij hebben, hé.I Ja.4 Of ‘De Noordhinder’ [= Charles Gezelle], noem maar op. Maar dan later zijn de mensen slimmer geworden, dus, en ze hebben dus wel die, die ... Ze geloofden dus wel niet meer in die Roesschaert, maar die doopplechtigheid is blijven bestaan in die zin van traditie, overleveren van bijnamen.I Jajaja.4 En dat was ook meest, omdat er in Blankenberge enorm veel families dezelfde naam hadden, je kon bijvoorbeeld in ‘t stad, onder bepaalde leeftijdsgenoten, kon je vijf- zes Albert Popeliers hebben, bijvoorbeeld. ‘k Geef maar een voorbeeld, of, eh, Louis Gezelle, je kon er zo een vijf, zo een zes hebben, dus om onderscheid te maken, gaven ze dan de mensen opnieuw bijnamen. Ze zeiden dan ‘Louis van Kasjes’ [= eigenlijk Louis Popelier], hé.I Ja.4 Of ‘Toosje But’ [= Frans Gezelle], dat was ook zo één. En zo wisten ze de verschillende namen, maar die jongens werden dan ook weer gedoopt, maar die formule was dan al veranderd en dan, ‘t heeft geen enkele betekenis, wè, maar die formule was dan: "En den olmendolm, den olmendol, den verschen dol, den edelbut, den avocoat, waar het woater in goat - dat was dan in een klomp - Uw naam is ..." En ze besproeiden hem dan met zeewater. En hij zei dan ook zijn naam. Dat was dan later en dat gebeurde voornamelijk met die opblijvertjes op het ogenblik dat ze de eerste keer naar zee gingen.I Ja.4 Zie je ‘t? Die traditie werd wel voortgezet, niettegenstaande dat hun ontwikkeling al meer was, en dat ze zeiden: "Kijk een keer, Roesschaert, dat is, dat is, dat bestaat niet, dat is niet mogelijk, hé!"I Jaja.4 De mensen werden slimmer, hé. Maar Roesschaert moet je zien, zoals je Lange Wapper hebt, en al die andere kwelduivels in die tijd, hé, de mensen geloofden daarin, hé. Wat dat ze niet konden verklaren schreven ze toe aan iets (hoest) dat ze niet konden bevatten, hé.I Jaja.4 Ze konden het niet verstaan [= begrijpen] en ze zeiden: "Dat moet van die zijn." En ‘t is daarom dat ze die heksenjacht ... [organiseerden]. Dat is ook zo, hé, ze kwamen iets tegen [= er overkwam hen iets] en ze zeiden: "Da’s waarschijnlijk van die oude vrouw die daar ..., die me behekst heeft of zoiets."I Jaja.4 Dat was dan de reden, hé.I Ja.4 Dat is dus de historie van Roesschaert, dat is ook één die ze vertelden.
Onderwerp
SINSAG 0254 - Plagegeist nimmt die Gestalt eines kleinen Kindes an
  
SINSAG 0256 - Plagegeist (in Tiergestalt) erschreckt späten Wanderer (und begleitet ihn).
  
Beschrijving
Roesschaert was een watergeest die de mensen plaagde.
In een bouwvallige hut in de duinen ten oosten van Blankenberge woonde omstreeks 1700 een oud vrouwtje. Omdat de mensen geloofden dat die vrouw een toverheks was, durfden ze in het donker niet voorbij haar hut te wandelen. Wanneer ze er overdag kwamen, maakten ze een kruisteken. Tijdens een zware storm werd de hut van dat vrouwtje onder zand bedolven. De mensen waren opgelucht dat ze van de toverheks bevrijd waren en gingen puin ruimen. Toen ze daarmee wilden beginnen, verscheen er echter een klein hondje met een belletje, dat bij iedere aanraking zei: "Roes! Roes! Roes!" Daarna liep het hondje weg en werd het steeds groter en groter. Sindsdien werden de vissers geplaagd door Roesschaert.
Wanneer de vissers naar hun boot moesten gaan, vielen ze op het strand over Roesschaert die daar lag en opzwol, zodat men over hem struikelde. Soms ging Roesschaert in de gedaante van een klein kind op de drempel van een huis liggen. Nadat men het kind naar binnen had gebracht, vluchtte Roesschaert lachend langs de achterdeur naar buiten. Het gebeurde ook dat Roesschaert aan de kant van een schip ging hangen om het te doen omkantelen. Roesschaert kon de naam van God niet uitspreken en zei altijd "in Pots naam" in plaats van "in Gods naam".
Enkele jaren later is ten oosten van Blankenberge een kluizenaar komen wonen. Die man beweerde dat hij de mensen van Roesschaert kon bevrijden door hen te overlezen. De man gebruikte lederen boeken en kaarsen en doopte die mensen opnieuw met zeewater. Ze kregen dan een bijnaam. De formule die de man bij het doopsel gebruikte, was de volgende: "Ik doop u, en Roesschaert, die lelijkaard, kere zich om, rom dom dom, uw naam is...". Zelfs toen de mensen niet meer in Roesschaert geloofden, bleef de traditie van het geven van bijnamen bestaan.
De bemanning werd gewekt door 'opblijvertjes' (1). Die jongens riepen dan bijvoorbeeld: "Klaarmaken! Opstaan! Het water is nog zeven meter van de schuit! In Gods naam!" Roesschaert deed die jongens soms na, maar omdat hij "in Pots naam" zei in plaats van "in Gods naam", wisten de vissers dat het loos alarm was.
In een bouwvallige hut in de duinen ten oosten van Blankenberge woonde omstreeks 1700 een oud vrouwtje. Omdat de mensen geloofden dat die vrouw een toverheks was, durfden ze in het donker niet voorbij haar hut te wandelen. Wanneer ze er overdag kwamen, maakten ze een kruisteken. Tijdens een zware storm werd de hut van dat vrouwtje onder zand bedolven. De mensen waren opgelucht dat ze van de toverheks bevrijd waren en gingen puin ruimen. Toen ze daarmee wilden beginnen, verscheen er echter een klein hondje met een belletje, dat bij iedere aanraking zei: "Roes! Roes! Roes!" Daarna liep het hondje weg en werd het steeds groter en groter. Sindsdien werden de vissers geplaagd door Roesschaert.
Wanneer de vissers naar hun boot moesten gaan, vielen ze op het strand over Roesschaert die daar lag en opzwol, zodat men over hem struikelde. Soms ging Roesschaert in de gedaante van een klein kind op de drempel van een huis liggen. Nadat men het kind naar binnen had gebracht, vluchtte Roesschaert lachend langs de achterdeur naar buiten. Het gebeurde ook dat Roesschaert aan de kant van een schip ging hangen om het te doen omkantelen. Roesschaert kon de naam van God niet uitspreken en zei altijd "in Pots naam" in plaats van "in Gods naam".
Enkele jaren later is ten oosten van Blankenberge een kluizenaar komen wonen. Die man beweerde dat hij de mensen van Roesschaert kon bevrijden door hen te overlezen. De man gebruikte lederen boeken en kaarsen en doopte die mensen opnieuw met zeewater. Ze kregen dan een bijnaam. De formule die de man bij het doopsel gebruikte, was de volgende: "Ik doop u, en Roesschaert, die lelijkaard, kere zich om, rom dom dom, uw naam is...". Zelfs toen de mensen niet meer in Roesschaert geloofden, bleef de traditie van het geven van bijnamen bestaan.
De bemanning werd gewekt door 'opblijvertjes' (1). Die jongens riepen dan bijvoorbeeld: "Klaarmaken! Opstaan! Het water is nog zeven meter van de schuit! In Gods naam!" Roesschaert deed die jongens soms na, maar omdat hij "in Pots naam" zei in plaats van "in Gods naam", wisten de vissers dat het loos alarm was.
Bron
W. Bode, Leuven, 2001
Commentaar
1.1 Watergeesten
west-vlaams (blankenberge)
4A
fabulaat
(1) opblijvertje: jongen van elf of twaalf jaar, die pas zijn Plechtige Communie had gedaan, en die de vissers 's ochtends bij hoogtij moest gaan wekken om aan boord te gaan. (syn.: laver)
Naam Overig in Tekst
Roesschaart   
God   
Naam Locatie in Tekst
Blankenberge   
Plaats van Handelen
Blankenberge   
