Hoofdtekst
’t Wos e mens die de name had dat hij kon tovern. En up ne keer, je wos met e man in èn herberge en j’had nogol wel gedroenken. Zo ze kwamen over ne gracht wor dat er nogol wel water in stoend en ze wilden d’erover springen. En de toverare sproeng erin en d’andre sproengen d’rover. En als de moeder van die toverare iemand aangeraakt had, dan sloegen ze hoger want dan koste’t kwaas er niet aan. Mijn moeder geloofde niet vele aan toverij mor ze vroeg toch: "Waarom staat dat in de catechismus: mag men bij toveraars en waarzeggers te rade gaan?"
Onderwerp
SINSAG 0750 - Andere Zauberei.   
Beschrijving
Een man over wie men vertelde dat hij kon toveren, kwam samen met een vriend terug van de herberg, waar hij flink wat had gedronken. Onderweg wilden de mannen over een gracht springen, waar veel water in stond. De tovenaar sprong in de gracht en zijn vriend sprong erover.
Als de moeder van die tovenaar iemand had aangeraakt, dan sloegen de mensen snel hoger om zich tegen het kwaad te beschermen.
Als de moeder van die tovenaar iemand had aangeraakt, dan sloegen de mensen snel hoger om zich tegen het kwaad te beschermen.
Bron
S. Top, Leuven, 1964
Commentaar
2.2 Tovenaars
west-vlaams (vrijbos)
201C
Moeder van de informant
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Oostnieuwkerke   
