Hoofdtekst
Dat was op Zuidschote, ik heb dat gezien, ‘k was nog een kleine jongen. Ik had nog mijn eerste kommunie niet gedaan. Mijn nonkel ging allen avond gaan kijken op dat hof. Dat was dat daar allemaal verdestrueerd (verwoest) en de koeibeesten hingen met hun steerten aan de diltpers (dat zijn staken die dwars over de balken liggen van een "dilte” of hooizolder) gebonden en ’t paard dat ’s nachts in de weide rondliep. Dat was al bij nacht, binst den dat was er niets. Ze hebben toen een aanvraag gedaan aan de kapelaan van Woesten en j’is gegaan en j’heeft dat kunnen effendoen. De kapelaan zei dat ze moesten een schoon wegeltje rakelen langs de gevel van ’t huis van een halve meter. Zegt ie: "Je gaat daar trappelinge (getrappel) zien van een hondje, ’t is een zwart hondje dat daar altijd komt. ‘k Weet wel dat ’t een zwart is, maar ’t gaat niet lang meer komen”! Zo, ze deien dat en een dag of drie achternaar, ’t was al gekend, dat was ’t wijf van de mollevanger die dat dei met haar hondje. Ze woonde daar bij dat mijn vader woonde. Dat was een echte toverege. Z’hadde boeken ook! Dat heb ik voor mijn eigen ogen gezien.
Onderwerp
SINSAG 0580 - Andere Hexenkünste   
Beschrijving
In Zuidschote stond een boerderij waar vreemde dingen gebeurden. 's Nachts werden de koeien met hun staart aan de balken van de zoldering gebonden en de paarden liepen in de weide rond. Overdag was er nochtans niets vreemds te zien. Omdat de mensen radeloos waren, lieten ze een kapelaan komen. De geestelijke gaf de mensen de raad om naast het huis een aarden weggetje te maken. Ze zouden daar 's ochtends de sporen van een hond zien. "Het was wel een zwart hondje", wist de kapelaan te vertellen, "maar het zou niet lang meer komen". Enkele dagen later ontdekte men dat een buurvrouw met een zwart hondje verantwoordelijk was voor het kwaad. Die vrouw bezat bovendien toverboeken.
Bron
K. Erard, Leuven, 1966
Commentaar
2.1 Heksen
west-vlaams (ieper)
4
Vóór 1890
memoraat
Naam Locatie in Tekst
Kemmel   
Plaats van Handelen
Zuidschote   
