Hoofdtekst
Mijn vader heeft nog verteld dat er daar twee boeregasten waren, twee boeredomestieken waren die ossan (altijd) tegare sliepen. ’t Was in de winter en ’t was één van die twee domestieken bij nachte ossan (altijd) uit dat bedde en weg. En zegt zijn kameraad: "Maar waar gaat je gij bij nachte? Wat doet je gij?” je wilde nooit niet zeggen, maar dat was alle nachten ’t zelfde. En zegt dien maat: "Dat en kan niet meer zijn. Je komt daar alle nuchten binnen, versteven van de koude, ‘k gaan er ik van klappen tegen de boer”! Je zegt dat tegen de boer en de boer gaat gaan vragen wat dat dat is. En zegt’n tegen die boer: "’k Gaan ’t je zeggen, maar het mag niet geweten zijn of je zijt de nek gekraakt. Maar als je wilt je kunt mij verlossen”. "Ja, en hoe dat”? zegt de boer. "Ewel”, zegt ie, "je pakt een vork, ‘k passeren alle nachten die ure hier, alle nachten en als ik passeren, je gaat me horen komen want ’t zijn ketens aan mijn benen en ketens aan mijn lijf. Als ik passeren en als je mij kunt raken dat er bloed is, ‘k zijn verlost! Maar, mis je mij, je zijt de nek gekraakt”! zegt dien anderen werkman. "’k Gaan ik dat wel doen”, zegt de boer. Ja, die vork geslepen dat de tanden stijf scherp stonden en ’s avonds als den anderen opgestaan was, den anderen stond ook op daar. Je kleedde hem en je was al gereed met zijn vork. Al met eens dien anderen komt af al huilen en briesen. Je stekte met zijn vork en je raakt hem in den had en j’had bloed. Zo, je zei: "’k Zijn verlost”! Ik heb dat gehoord in Kemmel al jong zijn. Wat dat die jongen juist was weet ik niet.
Onderwerp
SINSAG 0822 - Werwolf getroffen (geschlagen) nimmt wieder menschliche Gestalt an (und ist erlöst oder stirbt).   
Beschrijving
Op een boerderij werkten twee knechten die in dezelfde kamer sliepen. Eén van de knechten stond 's nachts altijd op en kwam 's ochtends verkleumd van de kou weer binnen. Toen de andere knecht dat aan de boer had verteld, ging deze laatste met de tweede knecht praten. "Ik zal het je zeggen", sprak deze, "maar je mag het niet voortvertellen, want anders zal je nek gebroken worden. Maar als je wil, kan je mij verlossen. Je zal mij 's nachts horen aankomen, want ik heb kettingen aan mijn benen. Wanneer je mij ziet, moet je mij met een mestvork steken. Je moet zorgen dat ik bloed, want anders mislukt het en wordt je nek gebroken". De boer ging akkoord en verloste de volgende nacht zijn knecht door hem te laten bloeden.
Bron
K. Erard, Leuven, 1966
Commentaar
1.6 Weerwolven
west-vlaams (ieper)
28
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Kemmel   
